Mijn verhaal is klaar, inelkaar, geillustreerd en gepubliceerd. Het is nog een voor versie dus echt af is het nog niet.
gaarne uw suggesties!
stap.iam.hva.nl/~frieli03/VerhaalBeta1.pdf
Thursday, April 16, 2009
Monday, April 6, 2009
Deel 3(slot) van mijn verhaal versie 0.1
Inderdaad spring ik om half vijf mijn bed uit vanwege mijn om half zes te halen ferry naar het vasteland en mijn trein moeten gehaald worden. Een half uur later precies loop ik de trap af. Ik probeer de achterdeur te openen maar die zit op slot. Ik probeer mijn sleutel maar die past niet. Shit.
Rammen op de deur helpt niet en ik heb geen flauw idee waar de baas slaapt dus ik loop weer naar boven langs de kamers. Ik hoor hard gesnurk in kamer dertien. Voorzichtig klop ik op de deur en het gesnurk stopt. Ik klop nog een keer zachtjes en even later doet een oudere Britse man de deur open. Het is zo een man waar je toch wel even je wenkbrauw bij optrekt als je, je afvraagt wat hij alleen in een dergelijk land doet op zijn leeftijd. Maar je mag natuurlijk niet te snel oordelen!
“I’m very sorry that i had to wake you, but I can’t open the back door. Can I use your key?”
Hij knikt en pakt zijn sleutel uit de deur. Bingo! Hij heeft wel twee sleutels. Ik pak ze aan en loop de trap af, haal het slot eraf en hij neemt hem aan.
“Where are you going now?” vraagt hij nog
“KL”
Hij knikt en ik bedank hem. Hij knikt weer en doet de deur op slot en ik haast me de deur uit.
Nog ruim op tijd kom ik via de uitgestorven straatjes aan bij de ferry. Voor mijn trein ben ik ook te vroeg en als die uiteindelijk om zeven uur vertrekt ben ik een van de weinige in de hele trein.
Langs de hele route door het binnenland zie ik ontzettend veel wegwerkzaamheden en andere bouwputten. Verder ook een aantal gigantische prachtige nieuwe stations waar we niet eens stoppen en het dus meer op projecten lijken die bedoelt zijn om de werkloosheid tegen te gaan.
Net iets na twee uur ’s middags komt mijn trein aan in Kuala Lumpur. En wat een stad is dat zeg. Helemaal voor een stad die nog geen honderd vijftig jaar oud is. Langs het spoor staan gigantische woontorens met vijftig verdiepingen of meer. Hier en daar zie ik ook een puntje van de Petronas Towers.
Als ik uitstap op het station, dat overigens ook gloednieuw is, en de roltrap op rol wordt ik gegroet door een man die vraagt wat er met mijn voet is gebeurd.
Op mijn voet zit inmiddels een verbandje voor het niet helende wondje. Ik vertel hem over het prikkende koraal en dat het niet heel goed wil helen. Plotseling begint de man een heel vaag verhaal over cultuurverschillen, over een vriend waar hij altijd discussies mee heeft en dat hij dat ook graag met mij zou willen. Ik bedank hem en zeg dat ik graag naar mijn hostel toe wil en of hij me misschien kan vertellen waar de monorail is.
“Give me half an hour and I’ll bring you to the monorail” zegt hij me.
Maar ik bedank hem nog een keer.
“Just something to drink for half an hour and I’ll show you where it is.”
Tot op de dag van vandaag weet ik niet precies waarom ik ja zei.
In een restaurantje gaan we zitten en hij gaat wat drinken halen. Plotseling vraag ik me heel erg af wat ik hier precies doe, wat de man niets stond te doen boven aan de roltrap en waarom ik hier nog steeds ben als ik die vent toch niet ken. Ik sta op en loop weer weg in de richting van de uitgang. Op de trap naar beneden hoor ik hem al roepen.
“Where are you going?” vraagt hij nog al boos, wat te begrijpen is.
“Why are you being so rude”zegt hij dan.
“Because I don’t trust you and I don’t know you” zeg ik maar eerlijk.
“Then get to know me!” zegt hij min of meer kwaad.
Nu zeg ik duidelijk nee en plotseling loopt hij weg. Ikzelf loop weer opgelucht in de richting van de uitgang als hij opeens weer voor me staat om nog een keer te zeggen dat ik onbeschoft ben en zelfs een schande voor mijn land. Hij drukt me het blikje drinken in mijn handen waarop ik zeg dat hij dat niet hoeft te doen.
“Just take it! Your embarrassing me!” zegt hij bijna paniekerig.
Met een mond vol tanden en een beetje van mijn stuk kijk ik hoe hij voor de laatste keer van me weg loopt.
De monorail blijkt uiteindelijk aan de andere kant van het plein te zijn waar het station aan ligt. Een plein is het overigens niet echt te noemen. Het is meer een soort zandvlakte met hier en daar een stukje gras, compleet vol gebouwd met auto’s.
Zonder overstappen kom ik aan bij mijn halte. Een monorail station boven een drukke weg langs grote winkelcentra. Na nog tien minuutjes te hebben gelopen vind ik zonder probleem het hostel dat ik op oog had, Pondok Lodge. Via een trap kom ik het hostel binnen. Er is nog een blonde mevrouw voor me die ook incheckt. Ik groet haar waarna ik aan de beurt ben.
Dit is de eerste keer dat ik op een “dorm” zit. Een zogenaamde meer persoonskamer. Gewoon een financieel kwestie. De kamer bestaat maar uit twee stapelbedden met twee bedden per stuk. Een van de bedden is bezet. Ik leg mijn spullen bij het overgebleven onderste bed en ga vrijwel meteen weer de straat op om iets te eten.
KL is duur! Heel veel duurder dan Thailand en zelfs Georgetown. Gelukkig hebben ze hier ook de wereldberoemde Chicken-rice die deze keer eerder een keuze is uit geldgebrek dan vanwege het gemak.
Eenmaal terug in het hostel kom ik dezelfde blonde mevrouw tegen. Ze spreekt me aan en vraag wat ik hier doe en of ik alleen ben. Anja zelf, want dat blijkt haar naam te zijn, komt uit Hamburg in Duitsland. Vanuit Australië is ze hierheen gevlogen om rond te reizen met haar vriendin. Haar vriendin ligt alleen ziek in Australië dus heeft ze de komende weken allen in Zuidoost Azië te verdoen tot haar vriend uit Duitsland haar in Hong Kong komt vergezellen.
In eerste instantie vindt ik Anja redelijk normaal. Later kom ik er achter dat ze eigenlijk niets weet van Maleisië of Thailand, waar ze later ook heen zal gaan.
Anja weet niets te bezoek in KL want ze heeft niets uitgezocht.
Anja weet niet wat de munteenheid, laat staan wat de waarde ervan is ten opzichte van de Euro.
Anja is verslaafd aan McDonald’s en mag er van haar vriend niet heen.
Anja houdt niet van Aziatisch eten.
Anja weet de weg niet en zal zonder mij waarschijnlijk de komende dagen verdwalen.
Ja inderdaad, Anja en ik trekken de komende dagen op. Alle gezelschap is goed bedenk ik maar. Gelijk die middag gaan we naar de hoge toren in KL. Niet de Petronas Towers, maar Menara Kuala Lumpur; KL Tower. Geen kantoor gebouw maar een simpele tv-toren van vierhonderd twintig meter die meer gebouwd is om het hoog zijn dan om een echte nuttige functie.
Bij de ingang wordt om onze nationaliteit gevraagd waarna we netjes in onze eigen taal begroet worden. Eenmaal binnen wachten we een tijdje op de lift in een halletje met kristal belegd plafond. De lift brengt ons vervolgens naar een hoogte van driehonderd vijfendertig meter en het geweldige uitzicht over Kl. We steken overal ver bovenuit. Allen de Petronas Towers staan recht voor onze neus. De rest van de wolkenkrabbers zien we echter ver beneden ons. Zo’n uitzicht heb ik van mijn leven niet gezien. De zichtbaarheid is nog best goed ook al is deze stad goed vervuild.
Een halfuurtje later hebben we het weer gezien en gaan we met dezelfde lift weer naar beneden. We besluiten de stad maar even te verkennen en lopen in westelijke richting naar de central market. Om te kijken of we wel goed gaan zoek ik het kaartje in mijn Lonely Planet op. Tien seconden later loop ik met mijn domme kop tegen een verkeersbord dat net te laag hangt. Met barstende koppijn loop ik verder. Op de markt is niet heel veel bijzonders te zien. Er tegenover zit Chinatown, maar vanwege de drukte besluiten we daar vandaag niet in te gaan. Aan de andere kant van de rivier die langs de markt loopt staat een imposant gebouw wat later het vroeger hoofdkantoor blijkt te zijn van Petronas. Voor de Petronas Towers werden gebouwd. De rivier waar het gebouw aan ligt is de hoofdrivier van KL, bestaande uit de rivieren Gombak en Klang.
Een korte uitleg over het ontstaan van KL. Een aantal mijnwerkers werkten, volgens de legende, honderd vijftig jaar geleden op de plek waar de twee eerdergenoemde rivieren elkaar tegenkomen. Ze noemden deze plek “modderige samenvloeiing” oftewel Kuala Lumpur vanwege de modderige rivieren. Al snel overleden alle mijnwerkers aan Malaria maar hun vondsten trokken meer mijnwerkers aan en plotseling was er een heuse stad.
Tegenwoordig zijn beide rivieren zo smerig dat er geen ruimte meer is voor modder.
Een stukje verder aan de andere kant van de rivier waar de toren staat ligt Merdeka Square. Een plein, gebouwd ter ere van de onafhankelijkheid van Maleisië. Tevens een plein dat er heel mooi uit ziet. Omringd door overheidsgebouwen en belegen met een goed onderhouden gigantisch groot grasveld met op de achtergrond de skyline van financieel KL.
Na hier nog wat rond te hebben gekeken vinden Anja en ik het weer genoeg voor vandaag. We gaan terug naar het hostel waar ik aan Anja vraag of ze misschien zin heeft om vanavond met mij en een locale kennis te eten in Maleisische specialiteit restaurants. Ze zegt er over na te denken. Op mijn kamer kom ik mijn kamergenoot tegen. Een Japanse man. Vanwege zijn slechte Engels en mijn nog slechtere Japans wordt het gesprek niet heel duidelijk. Uit zijn verhaal begrijp ik dat hij hier voor een jaar komt wonen, maar nog geen huis heeft. Vandaar dat hij hier is. Hij moet nu alleen weer weg om te gaan eten.
Om half zeven heb ik met Terrence (de locale kennis) afgesproken om de hoek van mijn hostel. Anja is er niet. Terrence ken ik via fotosite Flickr. Een van origine Chinese Maleisiër met een grote passie voor analoge fotografie die ik nooit eerder ontmoet heb. Toen hij van mijn reisplannen hoorde heeft hij mij voorgesteld me kennis van Maleisisch eten te geven.
Toch een beetje in spanning, onder andere door mijn bizarre ervaring met de man van vanochtend, wacht ik op Terrence in zijn gloednieuwe rode Suzuki. Niet veel later zie ik even verderop het drukke kruispunt zijn autootje stoppen. Ik stap er op af en maak kennis met Terrence. Hij is heel anders dan ik me had voorgesteld, een stuk jonger. Ik schatte hem rond de eind veertig. Hij blijkt amper dertig te zijn.
Met zijn auto rijden we naar het restaurantje dat Terrence heeft bedacht. Onderweg praten we over Maleisië. Wat mij opvalt, nu ik hier ben. Onder andere de kaartjes voor de monorail koop je een kaartje per monoraillijn en niet een kaartje voor een hele dag of week. En hij stelt vragen over Nederland. Onder andere wat het verschil precies is tussen The Netherlands en Holland.
In een parkeergarage aan de rand van het KL Chinatown zetten we de auto neer en lopen we verder over de markt waar ik vanmiddag met Anja niet heen ging. Net als in Bangkok verkopen ze ook hier de duurste merken voor bijna niets. We lopen door, steken een steegje in en slaan de hoek om. Bij een wat kaal chinees restaurantje stoppen we. Als enige westerling ben ik hier te gast.
Terrence vraagt wat ik wil drinken en of het goed is of hij het eten voor mij besteld. Ik vind het prima en ben benieuwd wat ik voorgeschoteld krijg. Hij bestelt bij de restaurant eigenaar die hij schijnt te kennen.
We praten nog wat over ditjes en datjes als niet veel later het eten wordt geserveerd vanaf een zijstraatje aan de overkant van de straat. Het blijkt heel normaal te zijn dat de keuken een paar straten verderop zit van het restaurant zelf.
In een soort kokendheet stoofpotje met onder andere varkensvlees gooit de eigenaar een rauw ei. Ik ben er nogal verbaad over, maar als ik zie dat het ei letterlijk begint te bakken in het potje waarna het erdoorheen wordt gemengd vind ik het alweer goed. Op een andere schaal liggen ronde schijfjes in een saus en als laatste een bord rijst.
We delen met zijn tweeën de drie gerechten. Terrence legt uit wat het allemaal is. Het stoofpotje is inderdaad varkensvlees met een rauw ei, een soort deegrolletjes gemengd met een pepersaus en rijst. De ronde schijfjes blijken varkensorganen te zijn, darmen neem ik aan, in een stevige pittige saus. De rijst is gewoon rijst.
Het stoofpotje is heel erg lekker, en de pittigheid valt me heel erg mee. Ik merk wel dat het erg vult en besluit een varkensorgaan te proeven. Het rondeschijfje proeft wat sponzig en taai aan en heeft een aparte smaak. Maar met de saus eroverheen smaakt het wel.
We zijn amper een kwartiertje aan het eten als Terrence zegt dat ik niet te veel moet eten. We hebben nog een volgende halte. Ik trek mijn portemonnee om te betalen maar Terrence zegt nee. Ik zeg ja, en Terrence zegt nogmaals nee. Met argumenten als “Jij neemt mij al hier mee naar toe” en “Jij doet al zoveel moeite” probeer ik hem ervan te overtuigen dat ik moet betalen. Maar het mag niet baten.
We lopen weer verder en Terrence vraagt of ik het erg vind van de straat te eten. Ik vind het goed, ik heb al varkensorganen gegeten dus wat maakt het allemaal nog uit?
We lopen een doodlopend steegje in en Terrence vraagt een oudere man iets. De man antwoord waarop Terrence verteld dat het vandaag niet open is.
Met de auto gaan we naar een andere locatie toe. In de parkeergarage stel ik klam voor te betalen maar dat aanbod wordt hard maar beleefd neergeslagen. Ik besluit er verder niet op in te gaan en de volgende maaltijd te betalen voor dat Terrence ook maar wat kan zeggen.
Met de auto staan we gelijk in de file, boven ons rijd de monorail. De verschillende lijnen kruisen elkaar en gaan door, over en onder gebouwen door.
“Ik vind het heel bijzonder dat jullie hier in Maleisie zo goed dit soort dingen kunnen bouwen. Hoelang duurde het voor alle lijnen er lagen?”
“Ongeveer tien jaar” antwoord Terrence mij.
“Kijk, dat kunnen wij niet. In Amsterdam doen ze al acht jaar over een metro lijn. En het zal nog zeker vijf jaar duren. Hier worden gewoon een paar metro en monoraillijnen uit de grond gestampt in minder tijd dan wij er een doen.” Probeer ik hem te complimenteren
“Klopt, maar hier misschien niet iedereen het er mee eens. De overheid dramt hier vaak zijn zin door.”
“Ik weet even niet wat te zeggen. Waarschijnlijk heeft hij wel gelijk.”
We rijden verder en langs een grote weg stoppen we bij iets dat op een groot weg restaurant lijkt. Het blijkt een klein Hawker Centre te zijn. We gaan aan een tafeltje zitten en Terrence vraagt of ik van zoetigheid houd. Ik knik van ja en hij gaat eten halen. Met drie crêpeachtige dingen en twee verse ijsthee komt hij terug. Dit is Roti zegt hij. Ik moet meteen denken aan Surinaamse Roti, maar dit ziet er toch wel heel anders uit. Twee van de pannenkoekjes zijn opgevouwen. Tussen de ene zit ei, tussen de andere zit groente. De laatste staat rechtop, is in een cirkel gedraaid en bestrooid met suiker. De smaak? Een soort tortilla met pannenkoekmix. Als we uitgegeten zijn blijkt Terrence al betaald te hebben toen hij het eten haalde. Ik voel me schuldig maar zeg het niet tegen hem.
Terrence stelt voor de Petronas Towers te bekijken, ’s nachts zijn ze namelijk nog mooier. Vlak voor de torens parkeert hij de auto. Bij de aan de voorkant gelegen fontein lopen we wat rond en maken we foto’s en bewonderen het iconische gebouw waar een vijftig meter lange Maleisische vlag aan hangt.
Later rijden we nog een stukje van het gebouw af, waar we een beter zicht hebben op de torens en het complex er om heen genaamd KLCC, wat staat voor Kuala Lumpur City Centre.
Tot slot heeft Terrence me nog een ding te laten zien. Iets waar in vanmiddag al geweest ben maar ’s nachts er nog mooier uit ziet. Merdeka Square, het plein van de vrijheid. Een van de overheidsgebouwen blijkt behangen te zijn met duizenden lampjes waardoor het overal uitspringt. Op de achtergrond branden hier en daar lampjes op de gigantische wolkenkrabbers met daarvoor het blauwe licht van de oude Masjid Jamek moskee. We maken weer wat foto’s en horen plotseling oorverdovend motorgeluid. We kijken op en zien een groep auto’s knoert hard voor ons langs rijden. Het blijken de beroemde oftewel beruchte illegale auto races te zijn. Binnen een paar seconden zijn ze alweer de hoek om en besluiten wij ook maar eens op te stappen. Het is alweer een uur en morgen ga ik met Anja de Petronas Towers in.
Om negen uur ontmoet ik Anja bij het ontbijt wat nergens naar smaakt. Kleffe croissantjes met plastic jam en aanmaak sinasappelsap. Niet lang daarna gaan we te voet naar de Petronas Towers. We kennen de weg niet, maar de torens steken overal bovenuit. Dus zo lastig kan het niet zijn. Eindelijk staan we om tien uur voor de torens en vragen een bewaker om de ingang. Hij wijst ons een roltrap naar beneden in het spic en span schone gebouw met marmeren vloeren. Al we benden aankomen staan er voor ons zo’n acht honderd mensen in de rij. Per dag worden er maar veertienhonderd kaarten uitgegeven om het gebouw te bezoeken dus wie weet zijn we al te laat. We gaan toch in de rij staan en wachten. We wachten nog wat langer en daarna nog wat langer. Na meer dan anderhalf uur in de rij te hebben gestaan zijn we aan de beurt. Maar het enige wat we krijgen is een kaartje met daar op de tijd half twee. Tot die tijd moeten we ons maar vermaken.
We rollen de roltrap weer omhoog en gaan dan opzoek naar een wc in het spiegelschone gladde winkelcentrum dat wordt behuisd door de grootste Twin Towers ter wereld. Nergens zien we een bordje en lopen maar wat rond tot we bij de uitgang komen. Aan een schoonmaker vragen we waar we een wc kunnen vinden en die wijst ons een eindje terug en een verdieping hoger. Eindelijk vinden we een deur die naar de wc’s leid. Ik loop de mannen wc’s binnen en tref daar een van de smerigste wc’s die ik in mijn hele vakantie heb gezien. De laatste keer dat die schoon gemaakt is moet weken geleden zijn. Terwijl ik daar sta verbaas ik me over het verschil met het prachtig onderhouden en schone winkelcentrum.
Buiten bedenk ik samen met Anja wat we de komende drie uur gaan doen. In het KLCC complex zit ook een groot aquarium dat Anja graag wil zien. Ik vind het prima en na een kwartier door allerlei tunnels onder het gebouw te hebben gelopen komen we aan bij een dichte deur. Om precies half een gaat het aquarium weer open.
Ik stel voor naar het centrum te gaan zodat ik een bus kaartje kan kopen voor mijn bestemming na KL, Melaka. Anja vind het goed en na weer een kwartier terug te hebben gelopen, dit maal bovengronds langs een gigantische fontein en een meertje dat nog steeds bij het KLCC complex hoort stappen we in de metro. Na een keer overstappen komen we aan bij Plaza Rakyat waaraan het grootste busstation van Maleisië is gelegen. En of het groot is. Mijn Lonely Planet raadde busmaatschappij Transnational aan en waarschuwde me voor het overweldigende busstation. En of het overweldigend is. Via een trap loop ik met Anja een soort winkel centrum in. Alleen verkopen alle winkels, die even groot zijn dat er net een verkoper achter een kleine balie past, het zelfde. Buskaartjes. Op het gangpad dat tussen de verkooppunten ligt lopen voor vijftig procent reizigers. De andere vijftig procent zijn ook verkopers. Allen uitgerust met een boekje met tijden en een walkietalkie praten ze met zijn allen te gelijk tegen mij. Zowel in het Engels, het Maleis als het Chinees. Ik probeer me af te sluiten en ga op zoek naar een hokje met Transnational erboven. In het negende gangpad vind ik drie hokjes op een rij. Ik wordt vrijwel direct geholpen en koop voor vijfentwintig ringgit een kaartje naar Melaka. Terwijl ik met Anja naar de uitgang loop zie ik er tegenop hier morgen terug te komen naar deze schreeuwende mensen met al mijn bagage.
Intussen is het twaalf uur geweest en lopen Anja en ik nog wat door de stad. Na een kwartiertje gaan we maar weer terug naar het KLCC complex en zoeken daar iets te eten. In een Delí France cafeetje koop ik mijn smerigste en duurste lunch van de hele vakantie. Een klef koffie broodje met chocolademelk. Eindelijk na nog een half uur door het winkelcentrum te hebben lopen rollen we de roltrap weer naar beneden. Daar staan we nog een paar minuutjes in de rij, mogen we nog even wachten met een groep anderen en worden dan vriendelijk verzocht een mevrouw te volgen. Onze groep wordt in vier groepjes gedeeld waarna we allemaal een mooie bril uitgereikt krijgen. In een bioscoop zaaltje verteld een mevrouw wat we hier in godsnaam doen, een film bekijken. Hierna zullen we met de lift omhoog gaan. De film is een groot werk propaganda lijkt het wel. Hoe geweldig is Petronas wel niet? Wat doet Petronas allemaal voor goeds met haar geld? Zorgt Petronas wel goed voor haar bevolking? Ja natuurlijk! Want Petronas heeft Maleisië groot gemaakt sinds de onafhankelijkheid. We verkopen dan we olie en vervuilen wel het milieu, maar we hebben goede bedoelingen hoor!
Een kwartier later worden we groepje voor groepje naar een detectie poortje geleid. Dat wordt dus riem af, portemonnee weg, camera weg en dan mogen we door. Elk groepje wordt in een lift gestopt waar honderd zesenzestig knopjes in zitten, twee per verdieping. Onze Petronas mevrouw die ons begeleid drukt op het eenenveertigste groene knopje. Een paar minuutjes later kunnen we alweer uitstappen. Hier is de beroemde luchtbrug waar wij ons mogen vergapen aan het uitzicht. Na een minuut vind ik het al dood erg tegenvallen. Ik sta hier dan wel in de Petronas Towers maar dat is dan ook alles. Het duurde drie uur, ik sta meer dan honderd meter lager dan gisteren, het uitzicht is slechter, ik werd gepropageerd en iedereen maakt er zo een hype van dat het helemaal nergens opslaat.
Na tien minuten worden we alweer bij elkaar geroepen door onze Petronas mevrouw waarna we weer in de lift moeten stappen. Eenmaal beneden kan een machine uitrekenen hoeveel keer groter de torens zijn dan jijzelf. Ik kom uit op tweehonderd zevenenveertig maar het boeit me niks. Gelukkig was deze tegenvaller nog gratis.
Het is mijn laatste dat in KL, dus mag ik van Anja zeggen wat we nu gaan doen. Ik vind het nergens opslaan, want ik bedenk de afgelopen twee dagen constant wat we doen maar vind het best en zeg niets.
Ik ben nu al een aantal dagen in een moslim land maar heb er, behalve honderd moslim meisjes in de trein, amper iets van gemerkt. Daarom stel ik voor om naar het Islamic Arts Museum te gaan, even ten westen van het stad centrum.
Om daar te komen moeten we het spoor over. Hoe? Geen idee. We lopen maar een richting op die goed lijkt maar bij het hoofdpostkantoor van Maleisië snappen we het allebei niet meer. Gelukkig komt er een aardige portier naar ons toe die de weg wel even verteld. We volgen zijn aanwijzingen maar komen terecht bij de snelweg, geen van ons beiden heeft heel veel zin die over te steken. Via een weggetje naast de snelweg lopen we naar het zuiden waar we na een hoop meters verder een tunneltje tegen komen die naar de andere kant van de snelweg leidt. Eindelijk zijn we op de goede weg. Ik kijk goed hoe de weg loopt via de lonely planet en voor ik het weet loop ik met mijn domme kop tegen een plastic, op zijn kop hangende bak die net te laag hangt. Anja lacht me hard in mijn gezicht uit en ik neem het haar niet eens kwalijk. Voor de tweede keer in amper een dag stoot ik mijn hoofd op precies dezelfde manier.
De bak, die zowat mijn hoofdafdruk draagt, blijkt een standplaats te zijn personen die op een taxi wachten. Zo worden ze niet nat.
Weer met barstende koppijn loop ik verder. Eindelijk komen we bij het museum dat langs een lange avenue loopt met gigantisch dure villa’s en ik krijg het Amsterdam oud-zuid gevoel.
Het museum ziet er nogal leeg uit als we op de marmeren vloer naar binnen lopen en een kaartje kopen. Op de eerste verdiepingen staan maquettes van de meest bekende Moskees over de hele wereld. Van de Masjid al-Haram in Mekka, een onbekende Chinese Moskee tot de Masjid Jamek hier in KL. En niet alleen de Maquettes zijn heel gedetailleerd uitgewerkt. Ook het plafond, de muren en pilaren zijn ingelegd, beschilderd en gegraveerd alsof het een paleis is. Helaas wordt ons al snel verboden te fotograferen en lopen we door naar de rest van het museum. Vooral de Islamitische cultuur in zuidoost Azië wordt hier weer gegeven in wandkleden, wapens, kleding, keukengerij en allerlei dagelijkse dingen. Anja heeft het helaas al snel gezien en wil gaan winkelen. Ik vind het prima en zo scheiden onze wegen. Na nog een half uurtje in het museum te hebben rond gekeken vind ik het ook wel welletjes en loop de weg terug naar Merdeka Square en ga via de monorail terug naar het hostel.
Daar aangekomen is mijn kamer vol. Elk bed is bezet en ook iedereen is er, naast de Japanse meneer is er ook een Duits meisje dat rondrijst en een meneer waar ik totaal geen hoogte van krijg. Ik laat het varen en wacht tot Terrence mij weer op pikt. Vanavond neemt hij me mee naar het beste restaurant van KL. Ik heb hem nog voor gesteld ergens te ontmoeten, maar hij stond erop me op te halen voor de deur. Ook al moet hij uren in de file staan. Ik ga er niet veel tegen in, het is een cultuur verschil dus iemand moet zwichten.
Uiteindelijk pikt hij me een half uur te laat voor de deur op. De stad uit gaan duurt niet lang. In de het voorstadje Petaling Jaya (vijfhonderd duizend inwoners) stoppen we in een straat aan een park waar een aantal winkeltjes en een restaurant zitten.
Het restaurant is net als ieder ander Chinees restaurantje. Kale muren met hier en daar een niets zeggend schilderijtje of foto met plastic stoelen en tafels.
Terrence bestelt in het Chinees weer van alles en nog wat, het enige wat me wordt gevraagd is of ik ook IJsthee wil. Natuurlijk! Terrence verteld me over hoe bijzonder dit restaurant is en vaak wordt geprezen als een van de beste restaurants in de omgeving van KL. Inderdaad zie ik, nu ik beter kijk een aantal krantenartikelen aan de kale muren hangen waarin het restaurant wordt beoordeeld. Ook hier duurt het niet lang voor het eten geserveerd word.
Vandaag eten we gefrituurde Tofu met garnalen wat tot een overstijging leidt van mijn band met Tofu. Heerlijk krokant en vol van smaak. Daarnaast krijgen we rijst en nog een specialiteit van het huis, vissenhuid. Iets wat een heel secuur werkje is aangezien het niet mag scheuren natuurlijk, het is namelijk rauw. In eerste instantie heb ik een gemengd gevoel. Het is rauw, maar ook bijzonder. Eenmaal in mijn mond is het wat sponzig en een beetje taai, maar door de kruiden is het best te eten. Een soort Escargots van de Oriënt dus. Als toetje eten we nog een simpel ijsje, natuurlijk wel een speciaal Maleisisch ijsje. Uiteindelijk is het al laat en besluiten we terug te gaan. Ditmaal mag ik betalen. Tenminste een deel. Nee, ook dat niet. Ik mag de fooi geven. Een fooi die gelijk ook heel hoog is. Ik stel Terrence ook nog voor om mij af te zetten op het metro station hier in Petaling Jaya, aangezien hij hier zelf woont en morgen moet werken. Maar ook dat mag niet, hij moet en zal me voor de deur van het hostel afzetten. Inmiddels ken ik Terrence te goed om er tegenin te gaan. Niet veel later neem ik afscheid van een van de gastvrije personen die ik ken.
Om half acht gaat de wekker, alleen de Japanse meneer en ik zijn weer over in de kamer. Ik douche, eet en pak mijn tas in. Ik neem zelfs nog afscheid van Anja en de Japanse meneer voor ik voor de allerlaatste keer de metro neem naar het busstation. Het lijkt er wel drukker dan gisteren. Met mijn bepakking loop ik naar de wachtruimte waar mijn bus vandaan vertrekt. Ik ben veel te vroeg.
Uiteindelijk mogen we met een trappetje naar beneden waar alle bussen staan. Bagage onderin, wij bovenin en wachten op de rest. Oh wacht, bagage onderin? En wie let er dan op? Ik stap weer uit en doe alsof ik nog een luchtje schep terwijl ik op mijn spullen let. Het luchtje scheppen is niet erg geloof waardig gezien alle bussen in deze ondergrondse parkeergarage. Als er meer plaatsen gevuld zijn ga ik weer terug naar binnen en niet veel later trekken we op.
Op de snelweg regent het, mij maakt het niets uit ik zit lekker in de bus. Ook al is het koud van de airconditioning. Als we langs een viaduct komen staan eer een stuk of twintig brommerrijders te schuilen op de vluchtstrook, zelfs al hebben ze een regenpak aan. Een aantal uur is het weer droog en arriveren we bij het busstation van Melaka.
Via een stadsbusje ga ik naar het centrum van de stad. Het centrum bestaat vooral uit het Stadhuys plein met daarom heen Chinatown en allerlei historische locaties. Om het plein heen fietsen tientallen knalgele fietstaxi’s.
Ik stap uit en ga op zoek naar het hostel dat ik op mijn lijst heb staan. Tony’s Guesthouse. Via straatjes, steegjes en vele aanwijzingen kom ik eindelijk aan bij mijn bestemming. Maar er is niemand, er staat een mooi bordje. Om vier uur terug. Dat duurt me nog iets te lang. Dus het wordt op naar de tweede keuze; Sama-Sama Guesthouse. Via dezelfde straatjes, steegjes en aanwijzingen kom ik terug bij het Stadhuys. Dit maal moet ik de andere kant op, het water over naar Chinatown. In een van de straatjes moet het zitten, ik kan het niet vinden. Ik loop heen en weer, weer terug, naar links, naar rechts en als ik heel Chinatown heb gezien en me kapot zweet besluit ik het te vragen aan een Chinese meneer in een klein winkeltje in oude rommeltjes. Hij wijst me en paar straten terug en ja hoor, niet veel later vind ik schuin tegenover een smederij het hostel.
En er is iemand! Ik wordt begroet door een Maleisische meneer die me verteld op zijn vrouw te wachten terwijl ik naar de gigantische schildering van Bob Marley kijk.
Uiteindelijk komt zijn vrouw binnen, een westerse vrouw met een raar accent, misschien Deens? Ze verteld me dat er alleen nog maar een raamloze kamer vrij, maar dat maakt me niets uit. Het kost me toch maar vijftien ringgit per nacht. Ik schrijf me in en wordt verzocht later terug te komen omdat mijn bed nog niet klaar is. Mijn spullen mag ik zolang wel hier laten liggen.
In het Chinatown, dat helemaal niet zo groot blijkt te zijn sla ik, dit maal zonder rugzak, een paar hoeken om en kom zo bij wat de hoofdstraat lijkt te zijn. Daar ga ik in een chinees restaurantje zitten en bestel wat te eten en een Cola. Ik krijg inderdaad het eten geserveerd en de cola. Maar ook een kommetje met troebel water. Zo kom ik voor een bekend dilemma te staan. Is het soep? Of, is het water om je mond en handen schoon te maken? Het is een beetje warm maar ik weet het nog steeds niet zeker en besluit het te laten staan. Het heten is wel heel lekker. Na een uurtje stap ik weer op en loop een rondje door Chinatown, langs allerlei ambachtelijke winkeltjes, maar ook moderne westerse cafés en designer winkels. Uiteindelijk kom ik weer in het straatje met mijn hostel waar ik mijn hostel staat.
Mijn kamer is klaar dus krijg ik van de mevrouw met het rare accent een spiraal ding die antimuggen rook produceert in mijn handengedrukt. Via een binnentuin waar een klein vijvertje staat met goudvissen lopen we een trap op waar mijn kamer is gelegen. Het is kaal en erg open. De muren zijn meer een soort scheidingswandjes waardoor er wel een briesje in mijn kamer staat. In de kamer staat een bed, een stoel en een ventilator. Ik vind het perfect, voor dit geld moet je ook niet meer verwachten.
Via het Stadhuys, weer aan de andere kant van de rivier, loop ik naar mijn eerste bezienswaardigheid is St. Paul’s Church. De kerk, door Portugezen gebouwd, door Nederlanders verwaarloosd en door Engelsen vernield is omringd door graven van diezelfde Kolonisten staat op een heuvel met de naam Bukit St Paul naast het Stadhuys.
Misschien een goede tijd om een geschiedenis van Melaka te geven. Melaka (ook wel Meleka, Malacca, of Melacca) werd begin vijftienhonderd ontdekt door de Portugezen, zo’n vijftig jaar later werd het veroverd door Nederlanders waarna het na zo’n honderd vijftig jaar werd verhandeld aan de Engelsen. Het gevolg, een Aziatisch stadje met heel veel culturele invloeden van Europa, waaronder deze kerk, de graven en het door Nederlanders neergezette knal rode Stadhuys.
Aan de andere kant van de heuvel loop ik omhoog. Al snel kom ik een graf tegen van meneer Hubert van Bracht waar in het Engels zijn overlijdensdatum op staat. Uiteindelijk kom ik in de kerk, die geen dak meer heeft, overdag door een stel muzikanten word bewoond ook echt Nederlandse graven tegen. Ik zal een voorbeeld geven.
“Hier onder leght begraven Hendrick van Eeckel geboren in Amsterdam in't jaer 1619 den 20 Maert, by syn leven oppercoopman en hooft
des Nederlandsz comptoir in Ligoor overleden 7 July 1650.”
Zo kom ik er tientallen tegen, waarvan de meesten onleesbaar zijn. De kerk, tegenwoordig bestaand uit vier muren en heel veel onkruid is verder niet heel bijzonder. Aan de andere kant loop ik weer naar beneden en kom recht achter het stadhuys uit.
Inmiddels is het al later en ga ik opzoek naar iets te eten. Iets niet Aziatisch is voor de verandering de keuze. Het wordt een Lasagne en een smoothy waar ik bijna drie keer zoveel voor betaal dan als ik Maleisisch zou eten. De lasagne is niet perfect en ik brand mijn arm aan de schaal maar ja het is weer een beetje variatie. In het restaurant kom ik een Australisch stel tegen dat ook aan het rondreizen is. Ik blijf nog even zitten met ze. Ze blijken precies dezelfde route te doen als ik, maar dan andersom. Ik adviseer ze over welke eilanden te bezoeken in Thailand(Koh Tao natuurlijk) waarna zij vertellen wat ik in Singapore moet bekijken. Om half tien ga ik al terug naar mijn kamertje. Ik lees mijn boek en kom erachter dat ik het antimuggen rook spiraal dingetje toch echt nodig heb.
Ondanks dat word ik ’s ochtends om tien uur met een aantal muggenbulten wakker. Ja, wel om tien uur en ik heb heerlijk geslapen. Wel werd ik om zes uur gewekt door de stem van de Moskee om de hoek. Maar op een bepaalde manier is dat toch bijzonder en helemaal niet erg om mee te maken in zo een slaperige roes.
In een modern westers café eet ik French toast met een kopje thee. Best te doen. In mijn Lonely planet lees ik een tip over goedkope luxer busreizen naar Singapore uitgegeven door een hotel even buiten het centrum.
Het blijkt toch wat verder te zijn dan ik dacht. Als ik er eenmaal ben blijk ik aan de verkeerde kant te zijn en moet ik om het hotel heen lopen. Bij de receptie wordt mij vriendelijk verteld dat de service niet meer bestaat en dat ik terecht kan bij het busstation. Balen maar een kaartje voor die bus kan ik gerust op de dag zelf kopen. Dan maar op naar het ziekenhuis voor mijn koraal voet. Het wil wel helen, maar extreem langzaam en zodoende ben ik al door mijn pleisters heen. Gelukkig is het ziekenhuis vrijwel tegenover het hotel. Het ziet er bizar druk uit maar ik gok het er toch op. Als ze hier geen pleisters hebben, waar dan wel?
Binnen wordt ik door alle wachtende een beetje gek aangekeken. Tja, neem het ze eens kwalijk, buitenlanders zijn toch ook nooit ziek? Op een rijtje bij de ingang staan vijf mensen met een uniform en een vriendelijke glimlach maar het zijn geen dokters of zusters. Ik ben amper binnen of een van de vijf spreekt me aan met de vraag wat ik zoek. Pleisters! De mevrouw verteld me vriendelijk hoe ik bij de apotheek kom die in het gebouw zit. Ze wijst me op het bordje boven onze hoofden maar besluit uiteindelijk toch maar met me mee te lopen. Een paar meter loopt ze voor me uit en ik vind het grote onzin, maar het is natuurlijk ook wel makkelijk. Een paar minuutjes later zijn we er al en ik bedank haar heel hartelijk, maar ze is al weer weg.
De apotheek is best klein in verhouding tot het ziekenhuis. Maar gelukkig hebben ze wel pleisters. Van het welbekende merk Leukoplast nog wel. Binnen een mum van tijd ben ik weer terug. Nederland kan nog wat leren van de Maleisische ziekenzorg. Het kost me namelijk bijna niets.
Op de terug weg loop ik om Bukit St Paul heen regelrecht naar het stadhuys. Als iedereen er zo bijzonder over doet moet ik het wel zien. Het knalrode gebouw heeft maar een ingang en daar moet ik drie euro betalen. Dat ik Nederlander ben heeft helaas geen invloed. Met poppen en historische taferelen wordt duidelijk gemaakt hoe de kolonisten hier heersten. Bij een aantal historische voorwerpen, zoals wapens en gereedschap staat de naam van een Nederlandse schenker. Een bord bij de ingang maakt duidelijk dat het museum mede door de Koninklijke Ahold, ING en de gemeente Alkmaar nog bestaat.
Het museum is erg uitgebreid en vooral koel, ik verdoe er zeker twee uur en ga van de Portugezen via de Nederlanders naar de Engelsen. Bij de Nederlandse afdeling kom ik een lijst tegen van Nederlandse gouverneurs, hier en daar hebben ze een Engelse naam. Verder staat er een gigantische maquette waarin wordt laten zien hoe de Nederlanders het dorpje hebben uitgebreid tot een handelsstad.
Na deze twee uur loop ik Chinatown weer in voor een lunch bij hetzelfde restaurantje als gistermiddag. Weer krijg ik hetzelfde kommetje met vocht en weer weet ik niet wat er mee te doen. Ik laat het nogmaals staan.
Even ten oosten van het centrum ligt nog een heuvel. Bukit China. Bukit China is niet zomaar een heuvel, het is een begraafplaats. Het is ook niet zomaar een begraafplaats. Het is de grootste en oudste Chinese begraafplaats buiten China. Met meer dan twaalf duizend graven is het een gigantisch park. Omdat de begraafplaats nog in gebruik is ook zijn er graven van driehonderd jaar oud tot graven van bijwijze van gisteren. Chinezen geven veel om een graf. Hoe rijker de overledene des te groter het graf dus is.
Aan de voet van de heuvel staat een bord dat het privéterrein is maar mijn lonely planet zegt me daar niets van aan te trekken. Een echt pad loopt er niet over de heuvel, het zijn meer kleine paadjes, gemaakt door de vele voeten die er door de tijd door zijn gelopen. Langs een van deze paden kom ik een graf tegen wat zeker dertig bij vijftien meter is. Ernaast staat een graf wat onder mijn voetzool past. Ik bewonder de graven als ik plotseling iets achter me hoor. Ik kijk om me heen maar zie helemaal niets. Alleen bladeren, gras, bomen en graven. Opnieuw hoor ik geritsel en ik kijk beter. Uit een bosje komt een gigantisch beest lopen. Een veraan. Ik kijk hoe het bijna twee meter lange dier zich langzaam van me verwijderd. Geen flauw idee hebbend dat die dieren hier voorkomen loop ik ook maar de andere kant op.
Een flinke wandeling maak ik om de heuvel heen. Duizenden graven loop ik langs, allemaal in het chinees. Sommige graven zijn gloednieuw, anderen zijn bijna geheel vergaan en ook voor Chinezen onleesbaar. Uiteindelijk bereik ik het hoogste punt van de berg waar één enkel graf staat. Vanaf hier heb ik uitzicht over de gehele stad. Aan de ene kant zie ik Chinatown en Bukit St Paul met daarachter de zee. Aan de andere kant zie ik graven, zover ik kan zien zie ik graven. Hier en daar staat een boom en verder is er niets. Alleen rust.
De heuvel loop ik zo weer af. Langs een klein padje loop ik de stad weer in. Ik maak een kleine wandeling door Chinatown en koop een kaart van een klokkenmaker die ik verderop daadwerkelijk klokken zie maken. Terug in mijn hostel doe ik de rest van de dag niet veel. Ik schrijf de kaart naar mijn vriendin en lees mijn boek. ’s Avonds eet ik in een klein chinees restaurantje. De volgende keer ga ik toch liever naar het restaurant met het onbekende kommetje.
De volgende ochtend slaap weer uit. Mijn ontbijt eet ik aan het Stadhuys plein waar een rustig restaurantje aan de rivier Sungai Melaka zit.
Ik ga zitten en een meisje van pakweg tien geeft me een kaart. Ik kijk naar de muur waar een uitvergrote versie van de kaart hangt.
Voordat het meisje weg loopt zeg ik “Een geroosterd broodje Cornbeef, alsjeblieft!”
“Thai…??” zegt ze
“Nee, een geroosterd broodje Cornbeef, alsjeblieft.”
“Thai…???” Herhaalt ze op precies de zelfde manier
“Met een kopje thee” zeg ik, er van uitgaand dat Thai…?? Een geroosterd broodje Cornbeef is.
Rustig wacht ik op mijn ontbijtje terwijl ik mijn boek lees dat niet ver van het einde is.
Even later krijg ik soep van een vriendelijke mevrouw. Waarschijnlijk de moeder van het meisje.
“Dit had ik niet besteld” zeg ik zo vriendelijk mogelijk. “Ik wilde een geroosterd broodje Cornbeef.
“Oh sorry! Sorry! Sorry!” zegt ze terwijl ze bijna een paniek aanval krijgt.
“Het maakt niet uit!”zeg ik snel en verbaasd van haar reactie.
Vliegensvlug daarna krijg ik mijn broodje. Ik eet het om een of andere reden snel op en ga dan naar binnen om te betalen. Het meisje zit stil op een krukje en kijkt me aan. Ik snap de situatie niet zo goed en reken snel af. Als een koning wordt ik gedag gezegd en de deur uitgelaten.
Vandaag ben ik niet van plan veel te doen. Een wandelingetje misschien maar verder rustig lezen. Misschien wel op het strand. Ik loop naar de toeristeninformatie aan de andere kant van het plein. Daar vraag ik om informatie over stranden in de omgeving. Het enige wat de mevrouw me kan vertellen is over een klein eilandje even buiten de kust, verbonden met een brug aan het vaste land. Daar zou een strand moeten zitten. Het is redelijk ver en op loop afstand. Bovendien is er volgens mij een strand aan het vaste land, daar ga ik eerst maar eens naar kijken.
In het toeristeninformatie huisje kijk ik nog wat rond maar behalve een boot tocht naar Sumatra die ik in mijn achterhoofd houd is er niets interessants.
Lopend ga ik richting de kust. Daar moet en zal een strand liggen. Langs een woonwijk met heel veel lege huizen en onder een viaduct door loop ik tegen een betonnen muur met een hek bovenop aan. Daarachter zie ik een kleine zandvlakte aan het water. Een echt strand is het niet laat staan dat ik er in de buurt kan komen. Teleurgesteld loop ik terug.
Vlakbij zitten twee winkelcentra, een nieuwe en een gloednieuwe waar ik even heen loop. De gloednieuwe, waar ik inloop is zelfs zo nieuw dat er amper winkels in zitten, maar wel een Starbucks.
Ik drink geen koffie maar wie weet hebben ze wel wat anders te drinken. Op de kaart staan een heleboel dingen, onder andere een Frappachino. De jongen achter de kassa verteld me wat een Frappachino is. Snappen doe ik het niet maar ik waag de gok, het kost hier toch niets. Ik bestel een Mocca Frappachino. En lekker dat het is. IJs met mokka en allemaal andere dingen. Lopend door het half lege winkelcentrum geniet ik van mijn nieuwe ontdekking.
Buiten het winkelcentrum sta ik recht voor Bukit St Paul. Daar ga ik op een bankje in de schaduw zitten en lees verder in mijn boek. Het weer is heerlijk, in de schaduw tenminste. Uiteindelijk heb ik het wel weer gehad en maak mijn wandelingetje af. Honderden keren wordt ik aangesproken de fietstaxi’s die ook hier rijden. Wil ik misschien een ritje? Nee bedankt.
Plotseling wordt me een andere vraag gesteld door een fietstaxi.
“Waar kom je vandaan?” vraagt de man in een knal geel T-shirt vanuit zijn even knal gele fietstaxi.
Ik besluit te antwoorden en zeg, uit Nederland.
Hij kijkt ontzettend blij en vraagt of ik hem ooit op tv gezien heb. Ik zeg de waarheid, namelijk nee.
“Er was ooit een reisprogramma hier uit Nederland! En die gingen mij interviewen!”
“Heel mooi” antwoord ik droogjes.
Hij rijdt een stukje met me mee en praat en vraagt over van alles en nog wat. Ik vind het wel gezellig maar de man, over de zestig, heeft alweer klanten en moet weer verder.
Ik loop Chinatown weer in richting mijn hostel waar ik mijn boek uitlees. “s middags eet ik in het straatje waar mijn hostel staat. Weer een Chinees restaurantje dat alleen ’s ochtends en ’s middags open is. Er is nog een tafeltje voor me vrij en daar bestel ik een portie Chicken-rice en een Cola. De Cola krijg ik meteen. Maar het eten duurt wat langer.
Rustig zit ik te wachten als er een dure Jeep stopt voor het restaurant. Een familie stapt uit een neemt plaatst aan het laatste vrije tafeltje. De vader kijkt naar mij en begint dan tegen me te praten.
“Waar kom je vandaan? Engeland?” Vraagt hij druk
“Nederland!” Vertel ik hem
“Nedala?”
“Ja, Nederland” Zeg ik hem zijn misspraak negerend.
“Aha! Wat spreken jullie daar? Engels? Frans?”
“Nederlands, we spreken Nederlands in Nederland” Zeg ik ditmaal extra luid en duidelijk.
“Nedala?”
“Ja, Nederlands!” Zeg ik droog en bijna lachend door dit bizarre gesprek.
“Aha! Ben je een student of een toerist?”
“Toerist”
“Hoe ken je dit restaurant?” vraagt hij eindelijk geïnteresseerd.
“Ik liep toevallig langs.”
“Aha! Het is bestwel bekend en nog goedkoop ook.”
Ik knik naar hem en plotseling draait hij zich om en loopt hij naar zijn tafel.
Het eten is, als het eenmaal komt, heel erg lekker. De beste Chicken-rice van deze vakantie moet ik bijna zeggen.
Na het eten loop ik terug naar de winkelcentra. Dit maal loop ik de andere in waar het gigantisch druk is, hier ziet namelijk wel overal een winkel. Op de plattegrond zoek ik boekenwinkels op. Er zijn er twee. De eerste verkoopt alleen boeken in het Maleisisch. De tweede heeft ook Engelse boeken.
De meeste zijn onbekende thrillers. Maar is ik verder kijk vind ik ook een aantal betere bekende titels. Na bijna een half uur zoeken loop ik uiteindelijk met Animal Farm van George Orwell de deur uit. De drukte lijkt wel erger dan toen ik binnen liep. Op de terugweg loop ik hetzelfde rondje als in de ochtend. Waarna ik uiteindelijk weer bij mijn hostel terecht kom. Hier begin ik in mijn derde boek maar dat duurt niet lang. Het is namelijk al etenstijd. Ik besluit die tijd maar makkelijk te besteden en ga naar het restaurant met het kommetje. Weer laat ik het kommetje staan. Wat moet ik er mee?
Als ik uitgegeten ben is het al donker en maak ik een ommetje. In de hoofdstraat van Chinatown is een marktje. Er wordt van alles verkocht maar het ziet er niet heel spectaculair uit. Toch is het best gezellig en ik loop de markt af in noordelijke richting. Er wordt ijs verkocht, kaas, speelgoed, fluitketels, kleding en andere rommeltjes. Niets spreekt me echt aan maar toch vind ik het een leuk marktje.
Aan het einde loop ik weer terug naar het begin van de markt waar een groep mensen ergens naar staat te kijken. Ik ga er bij staan maar ik zie niets bijzonders. Alleen twee jongens die met wat speakers bezig zijn en een man in een hemdje van een jaar of vijftig. Steeds meer mensen komen kijken als de man zich begint op te warmen, geen flauw idee waarom. Uiteindelijk gaat de man vuur spuwen. De jongens assisteren hem. Heel spectaculair allemaal maar niet heel bijzonder denk ik zo.
Plotseling begint de man te bidden en met een zweep veel herrie te maken en blijkbaar zijn spieren op te warmen.
“Waar kom je vandaan?” zegt hij. En natuurlijk zegt hij het tegen mij.
“Nederland” zeg ik wat onzeker.
“Kom eens hier!”
Ik loop naar hem toe waarna hij me direct vraagt om drie kaarten uit een stapel te pakken. Mijn opdracht is de kaarten op zijn rechter oog te gooien. Leuk, denk ik bij mijzelf. Ik mik, maar drie keer komen de kaarten nog niet eens halverwege de afstand die ze moeten overbruggen. Hij lacht me uit en zegt dan dat het zijn beurt is. Het publiek lacht met hem mee en dan besef ik pas al de mensen om me heen. In het chinees maakt hij nog wat grapjes. Waarschijnlijk over mij, maar het maakt me niet uit. Ik sta waar hij me neerzet waarna hij drie kaarten de lucht in gooi. Ze verdwijnen achter de huizen. Verbaasd slik ik even waarna hij vraagt of ik bang ben.
“Ja” antwoord ik droog. Het publiek lacht.
“Ik zal je laten zien hoe je moet gooien. Welk oog wil je?”
“Uhm, links” antwoord ik. Gebaseerd op het zelfbedachte onzin idee dat ik met mijn rechter oog meer kleur kan zien.
Een van zijn assistentjes heeft inmiddels een krant gespannen. Vloeiend gooit de man een kaart door de krant heen waar een grote scheur in ontstaat.
Hij lacht weer en zegt dan “Ik ga niet op jou gooien. Hoe oud ben je?”
“Achttien!” antwoord ik trots, gezien mijn kortgeleden verjaring.
“Vind je het erg als ik je jongetje noem?”
“Nee”
“Hier zijn vier kokosnoten. Kies er een.” Zegt hij, terwijl hij mij naar een tafeltje met kokosnoten wijst.
Ik neem een voor een de kokosnoten in mijn hand. Ze zijn even zwaar en even hard. Ik kies de gene die er, voor zover een kokosnoot dat kan, het mooiste uit ziet.
“Hoe wil je het? Met de vinger of de elleboog?” Vraagt hij stomp bewegingen makend.
“Vinger!” antwoord ik enthousiast.
“Oke, probeer het maar!” zegt hij twee keer zo enthousiast.
“Dat kan ik niet…” zeg ik terwijl ik lach en op de kokosnoot klop.
“Probeer!” draagt hij me op.
Met mijn een klein aanloopje laat ik mijn vinger op de kokosnoot neerkomen waardoor hij beurs wordt. Mijn vinger, niet de kokosnoot. Het publiek lacht weer en de man ook. Hij loopt naar me toe geeft me een hand en reikt me zijn businesscard aan.
“Heb je een vriendin?” vraagt hij.
“Ja.”
“Waar is ze dan?”
“In Canada.” beantwoord ik hem
“Geen vriendin in Azië?” roept hij lachend
“Nee.” lach ik met hem mee
“Ik heb een dochter van negentien!” hij schud me de hand en lacht naar me
“Wil je met haar trouwen?” zegt hij gespeeld serieus
“Nee.” zeg ik op dezelfde toon
“Ga dan maar weer in het publiek staan.”
Weer begint de man in het Chinees te bazelen. Zijn assistenten halen flesjes met iets erin te voorschijn dat ze proberen te verkopen. Na nog veel meer Chinees gepraat begint de man zich weer te concentreren.
In het midden van zijn toneel wordt een krukje op buik hoogte met de door mij gekozen kokosnoot neergezet. Voor het krukje staan twee potjes. Het concentreren duurt lang, heel lang. Plotseling springt de man op de twee potjes en ramt als een malle zijn vinger in de kokosnoot te slaan. Wonder boven wonder lukt het hem ook nog. Kokosmelk druipt over zijn hand en uiteindelijk zit zijn vinger muurvast. Met een beitel haalt een van zijn assistenten hem uit de beknelde positie. De andere assistent reikt hem een van de flesjes die de man over zijn vinger sprenkelt. Meteen begint de man in het Chinees te schreeuwen. Ik kan wel raden wat hij zegt, “Ik heb geen pijn!”.
Wel honderd mensen halen hun portemonnee te voorschijn. Voor twintig ringgit heb je een flesje. Ik wil niet, ik geloof er niet zo in. Sommige mensen kopen twee flesjes, anderen zelfs drie. De man komt speciaal naar me toe, overhandigd me een flesje en vraagt me nog een kokosnoot uit te zoeken. Nu komen er ook andere flesjes te voorschijn. Geen idee waar dat nu voor is.
Ik kies een willekeurige kokosnoot, deze is zeker voor zijn elleboog. Als iedereen uitgekocht is pakt een van de assistenten opnieuw een krant die de krant dit keer met een zweep meerdere keren doormidden knalt. Uiteindelijk is er een strookje van vijf centimeter over. Ook dat hakt hij doormidden. De assistent heeft alle tien de vingers nog.
”Jongetje!” hoor ik de man roepen.
“Probeer jij het eens!”
Hij gaat staan met een krant in zijn handen, te ver voor mij om te raken. Ik zwiep het bezwete glibber ding heen en weer maar raak alleen maar bijna het publiek.
“Go!” roept de man
Slaan lukt voor geen meter. Ik probeer het, maar het ding komt voor geen meter vooruit. Verderop scheurt de man de krant doormidden en geeft me complimentjes. Nog twee keer probeer ik het. Maar alleen mijn eigen been komt in aanraking met het einde van de zweep en het doet pijn. De man scheurt vrolijk verder en het publiek moet natuurlijk weer lachen.
De man roept me bij zich en vraagt of ik zijn huid kan pakken op zijn arm. Ik probeer het, maar het lukt voor geen meter.
“Harder! Harder!” Moedigt hij me aan. Het lukt nog steeds niet en lachend zegt hij dat hij nu aan de beurt is. Rustig pakt hij een stukje vel van mijn bovenarm.
“Pak de kokosnoot.” Roept hij naar me en ik doe het.
“Gooi hem naar me toe, met twee handen. Voorzichtig!” zegt hij.
Ik ga klaar staan en begrijp niet hoe deze man een kokosnoot in de lucht met zijn elleboog kan doorklieven. De man is al weer een Chinees verhaal aan het vertellen dus ik wacht geduldig. Helemaal niets begrijp ik van zijn verhaal, maar dit keer blijkt het nogal serieus te zijn want niemand lacht.
Als hij klaar is telt hij af. Op nul gooi ik de kokosnoot naar hem toe en hij vangt hem perfect op. Iedereen klapt en ik lach.
“Ga weg!” roept hij naar me, waarop ik rustig mijn plek in het publiek opzoek.
Weer concentreert de man zich. En weer slaat hij heel plotseling zijn elleboog in de kokosnoot. In drie keer is het ding zo plat als een A4tje.
Het publiek applaudisseert en de lichten gaan uit. Iedereen loopt weg en ik ook. Een Nederlands meisje geeft me een complimentje. Verderop roept een Maleisische vrouw “Goed zo jongetje!
Het Nederlandse meisje vraagt van alles en moet dan opeens weer weg. Ik loop terug de markt af en sla een van de zijstraatjes in richting mijn hostel. Terug is het al redelijk laat. Na nog wat te hebben gelezen val ik in slaap.
Vandaag is de meest rustige dag van mijn reis. Na om zes uur nog eens gewekt te worden door de moskee om de hoek slaap ik heerlijk uit. De hele dag loop ik door het stadje, lees wat, eet en koop een limited edition T-shirt voor zes euro.
Het enige wat ik onderneem is het Malaysian architect museum bezoeken wat, ondanks dat het onbekend en klein is, een van de beste museums is die ik tot nu toe heb bezocht. Met name gaat het over de verschillende huisstijlen in Melaka die door de kolonisatie door de jaren erg veranderd is. Het interessantste vind ik echter de maquette en het verhaal van Putrajaya. De bestuurlijke stad van Maleisië die ongeveer vijfentwintig kilometer onder Kuala Lumpur ligt. Deze stad werd meer dan tien jaar geleden neergezet en bestaat bijna uitsluitend uit overheidsgebouwen. Kuala Lumpur was te vol voor uitbreiding van overheidsgebouwen en zo besloot men maar een administratieve stad neer te zetten. Een gepland Den Haag, om het zo maar te zeggen.
Het grootste deel bestaat uit een gigantisch brede en lange avenue met aan de kop het “witte huis” van de Maleisische premier. Langs de avenue staand de gebouwen van overheidsdepartementen. Nog steeds wordt er gebouwd aan de stad.
De rest van het museum loop ik in een uurtje uit.
De laatste ochtend in Melaka alweer en over vier dagen gaat mij vliegtuig. Mijn ontbijt haal ik in een van de moderne westerse Cafés. Mijn tas heb ik zo gepakt waardoor ik te vroeg op het busstation ben. Ik koop snel een kaartje met een busmaatschappij die er goed uitziet. Nog geen drie kwartier later ben ik onderweg naar Johor Baru.
Johor Baru, een Maleisische voorstad van Singapore, is lelijk. Heel erg lelijk. Vanuit de bus zien de wolkenkrabbers er vies en slecht onderhouden uit. Bij de douane is het ook niet veel soeps. Ik krijg mijn stempeltje en wordt dan ondervraagd door een mevrouw van het Maleisische toeristen bureau. Wat heb ik gekocht? Eten en wat kleren. Waar ben ik geweest? Georgetown, KL en Melaka. Hoelang ben ik in Maleisië geweest? God, het lijkt wel een eeuwigheid. Ook al is het maar negen dagen.
Als beloning krijg ik een koelkast magneetje met reclame voor Maleisië erop. Buiten stapt iedereen de bus weer in. Eerst mogen we nog even naar de WC. Een WC die er niet uit ziet. In een houten hutje staat een potje waar constant water overheen gesproeid wordt via een tuinslang. Na mij is een meisje aan de beurt. Respect.
Met de bus rijden we een hoop viaducten onderdoor en uiteindelijk komen we bij de brug. De brug heet officieel “The Johor-Singapore Causeway.” Wat neerkomt op Johor-Singapore dam.
Het heeft dan ook veel weg van de afsluitdijk. Een snelweg met aan beide kanten water. In Woodlands, een noordelijk deel van Singapore gaan we nog een keer door de douane. Deze douane is totaal anders dan de Maleisische. De vloer is een spiegel, evenals de pilaren. Het plafond reikt twintig meter hoog en er staat een rij. Dat laatste was er ook niet in Maleisië.
Terwijl ik in de rij sta bekijk ik aanplakbiljetten die netjes aan de pilaren hangen. Een man genaamd Mas Selamat bin Kastari. Deze man, hoor ik later, is een gezochte terrorist die een paar maanden eerder uit de gevangenis is ontsnapt. Een gebeurtenis waar Singapore zich voor doodschaamt.
De rij duurt eeuwig en eindelijk ben ik aan de beurt. Ik mag door en zo ben ik eindelijk weer bij mijn bus. Als iedereen er weer is rijden we over een snel weg door een groot bos. Uiteindelijk komt het stadshart inzicht. De weg wordt ook drukker en op een parkeerplaats worden we afgezet. In mijnhostel heb ik al een aantal hostels aangekruist. Ik ga voor de goedkoopste. Het hostel heet Prince of Whales. Ik ga opzoek maar kan de betreffende straat (Dunlop Street) niet vinden. Een aardige Indiër die stoffen verkoopt in een straatje waar alleen maar stoffen verkocht worden meld me dat de straat aan de andere kant van deze buurt is. Jammer, tijd verspilt.
Om een of andere reden kies ik een ander hostel dat dichterbij is. Ook die vind ik niet een twee drie. Maar uiteindelijk kom ik in een winkelstraatje en loop ik Sleepy Sam’s binnen. Niet het goedkoopste hostel, maar goedkoop is hier niets meer. Voor vijfentwintig Singapore Dollar, omgerekend twaalf euro per nacht mag ik in de dorm terecht. Ik wordt netjes naar mijn kamer gebracht en onderweg wordt uitgelegd waar ik kan douchen met warm water. De eerste douche met warm water.
De dorm is gigantisch, maar wel gescheiden met gordijnen waardoor er een aantal hokjes ontstaan. Elk hokje behuisd ongeveer acht bedden. Ik kies een vrij onderbed.
Het is nog geen vier uur dus ik heb nog even de tijd om mijn Singapore avontuur te beginnen. Op het kaartje van mijn lonely planet zoek ik het dichtstbijzijnde metro station dat Bugis blijkt te zijn. Voor ik daar heen loop wissel ik nog mijn overgebleven Ringgits voor Singapore Dollars. De dollars zijn gek genoeg van plastic.
Bij de paar straten die ik oversteek op weg naar het metro station wacht ik netjes op het stoplicht. Singapore staat bekend om zijn regeltjes en de strenge handhaving daarvan. Op het stoplicht staat ook uitgelegd hoe de stoplichten werken. Rood, niet lopen. Groen, lopen. Knipperend groen, niet meer lopen. Duidelijker kan het niet.
Daarnaast is het verboden om binnen vijftig meter afstand van een stoplicht niet bij het stoplicht de straat over te steken. Bij elk stoplicht staan dan ook op vijftig meter afstand aan beide zijden bordjes die het vanaf die plek verbieden over te steken.
Het klinkt allemaal wat bizar, overbodig en bureaucratisch maar ik houd er wel van. Iedereen houdt zich ook aan de regels, ondanks het ontbreken van politie.
Als ik overgestoken ben zie ik het meisje dat ik bij de wc tegenkwam op de grensovergang. Ze spreekt me aan en vraagt het gewoonlijke. Zijzelf komt uit Slowakije en is voor haar studie een halfjaar in Laos geweest. Als ik vertel dat ik uit Amsterdam kom begint ze enthousiast te vertellen over dat ze studeert aan de UvA. Op de vraag of ze Nederlands spreekt antwoordt ze beschamend dat ze denkt dat ze het verleerd is en daarom niets wil zeggen. Ik moet hard lachen maar krijg uiteindelijk geen woord Nederlands te horen.
De volgende halte, City Hall stappen we samen uit. Na even oriënteren weten we waar we zijn. Het stadhuis ligt aan een gigantisch grasveld waar cricket op gespeeld wordt. Achter het grasveld steken de wolkenkrabbers van het CBD(Central Business District) de lucht in. Het uitzicht geeft een groot gevoel voor zo’n klein staatje.
Niet lang daarna stappen we de metro weer in. Ditmaal een andere lijn die naar het noorden gaat. Ieder heeft een andere bestemming. Ik wil een boek kopen en naar Newton Circus en het meisje wil een iPod kopen. Bij de halt Orchard Road stap ik uit en neem afscheid.
Orchard Road is de winkelstraat van Singapore een paar kilometer lang, zo breed als een normale straat met winkelcentra die honderden winkels bevatten.
Mijn lonely planet tipt me een boekwinkel, ja alweer een boekwinkel. Animal Farm is niet zo dik. Het boekenwinkeltje heeft alleen maar Engelse boeken en lijkt alles te hebben. Uit het kleine plankje van Chuck Palahniuk kies Lullaby.
Via een brede weg dwars door een park loop ik richting Newton Circus. Het plein, wat eigenlijk een knooppunt is van doorgaande snelwegen boeit mij niet heel erg. Het gaat mij om het Newton Food Centre. Singapore staat van alle Zuidoost Aziatische landen toch wel het meest bekend om haar Hawker Centre. Het Newton Food Centre steekt daar volgens vele nog eens met kop en schouders bovenuit.
Als ik er aankom is het bijna zes uur. De eettentjes zijn net open en er is nog veel plaats. Ik loop een paar rondjes om een indruk te krijgen van de verschillende maaltijden. Er is Chinees, Maleis, Indiaas, Vietnamees, Indonesisch en zelfs een Griek. Deze Griek ziet er alleen niet heel Grieks uit. Ik stop bij een Indiër met een grootbord boven zijn kraampje. Er staat een pannenkoekachtig iets op met ei en varkensvlees. Ik vraag de man wat het is en hij noemt het Murtabak. Nieuwsgierig bestel ik een medium portie. Een paar kraampjes verderop bestel ik een cola. Tien minuutjes later zit ik aan een van de tafeltjes in de schaduw te eten. De Murtabak is heerlijk. Echte een aanrader. Het cola blikje dat ik in mijn hand heb ziet er anders uit dan anders. Met grote letters staat er “Do not Litter”, maak geen rotzooi. Ik moet in mezelf lachen en bedenk dan dat Singapore inderdaad ontzettend schoon is. Sinds ik hier ben heb ik nergens iets vies gezien. Geen autobanden langs de weg, geen blikjes op straat en geen kauwgom. Dat laatste is ook niet zo gek gezien dat kauwgom verboden is in Singapore. Een boete is er niet maar het wordt bij bezit of import wel afgepakt.
Dit zijn een aantal typische Singapore dingen. Het land, dat twee honderd jaar geleden werd gekolonialiseerd door de held van Singapore, Raffles, wordt min of meer lief onderdrukt door haar regering. Deze Raffles is het vader figuur van Singapore. Zoals Willem van Oranje dat voor Nederland is maar dan alsof hij nog leeft.
Na de tweede wereldoorlog werd Singapore onafhankelijk van Groot Brittannië waarop de grote economische groei begon. Geen stad ter wereld is in vijftig jaar zo snel gegroeid.
Door deze groei is de Singaporese overheid blijkbaar bang dat haar bevolking het allemaal niet meer kan bevatten. Vandaar dat er heel veel regeltjes zijn die streng gehandhaafd worden. Daarnaast lijkt de overheid de bevolking ook licht te propaganderen. In de metro hangen posters met waarschuwingen over het Dengu virus dat verspreid wordt door muggen. Op de poster staat de tekst “This is your Death”. Erg aardig klinkt het niet als je iemand met de dood bedreigt.
Na mijn avond eten begint het al te schemeren en met de metro ga ik weer terug naar Cricket veld. De torens maken ’s nachts een mooi plaatje. Ik loop in de richting van het CBD en passeer het gebouw van de Cricketclub. Geheel in Britse stijl met een portier en tientallen luxe auto’s. Aan de andere kant bij het CBD loopt een weg langs het water genaamd de Quay. Ik loop hem half op en vind het heerlijk koel. Ondanks dat ik nu dichter bij de evenaar zit dan in Bangkok merk ik geen verschil in warmte.
Terug bij het stadhuis stap ik weer op de metro naar het hostel.
In mijn bed denk ik na over Singapore. Het is een Aziatische stad. Het soort steden waar ik heel erg van houd. Goed eten, een overweldigende drukte en anonimiteit. Daarnaast is het ook een westerse stad met heel veel Europese gebruiken. Bovendien vind ik het heerlijk dat alles schoon en geordend is. Nu al is Singapore mijn favoriete plek van mijn bezochte steden.
Boven mij kraakt het bed waardoor het lijkt dat het bijna door zakt. De meneer boven me doet het licht uit. Ik ook.
’s Ochtends ga ik in tegenstelling tot in Melaka vroeg op. Tegelijk met mij staan meerdere mensen op, waaronder een man die netjes zijn pak aantrekt en blijkbaar in het CBD werkt. Ontbijten doe ik in het hoste. De keuze: Yoghurt met stukken fruit of brood met jam. Ik ga voor het fruit en eet dingen die ik nog nooit gezien heb. Witte vruchten met zwarte stippen, raar smakende sinasappels maar gelukkig ook een gewone appel.
Door de vroegte is het nog niet te warm en ga op pad naar een museum. Onder andere om de warmte niet tegen te hoeven komen maar ook uit interesse. Aan de andere kant van het water van het CBD ligt het Asian Civilisation museum. Als een van de eersten loop ik naar binnen. Het museum ziet er net als Singapore super schoon uit. Ik besteed er ruim twee uur. Het geheel gaat vooral over Zuidoost Azië. Waar komt rijst oorspronkelijk vandaan? Hoe is Azië gekolonialiseerd? Wat was er voor die kolonisatie?
Tot slot gaat het over de cultuur van Singapore. De oorspronkelijke bewoners van het staatje bestaan allang niet meer. Het grootste deel van de bevolking bestaat uit Chinezen, Maleisiers, indiers en Engelsen. Hier en daar loopt ook een Europeaan, Australiër of Amerikaan rond. Dit maakt Singapore dus een van de meest multiculturele landen ter wereld.
Buiten het museum loop ik een rondje door het gebied achter het cricketveld. Hoge woontorens, kantoorgebouwen en luxe huizen maken de straten. Langs een monument voor de tweedewereld oorlog loop ik een winkel centrum in dat dicht is. Ten zuiden hiervan kom ik de Singapore Flyer tegen. Dit reuzenrad van honderd vijfenzestig meter hoog kost je een uur en een fortuin om rond te gaan. Deze overwegingen besluiten me door te lopen in westelijke richting. Niet helemaal zeker van waar en waarom ik hier ben kom ik uiteindelijk weer uit niet ver van het Cricketveld. Alleen een snelweg scheidt mij ervan. Aan het water, genaamd Marina Bay zie ik rechts het CBD omhoog rijzen. Links zie ik een andere snelweg en een hoop hijskranen. Ik neem een paar foto’s van de Skyline en steek de snelweg onderdoor via het cricketveld naar het CBD. Op Raffle’s square stop ik even. Het kleine pleintje wordt omringd door gigantische wolken krabbers en is vooral bevolkt door mensen in pakken en schoonmakers. Het CBD loopt geleidelijk over in Chinatown. Ik koop een Frappachino en loop vrolijk Chinatown in waar veel kleine winkeltjes, restaurantjes en een tempel zitten.
Aan Maxwell road staat een groot gebouw waar een hoop mensen in en uit lopen. Aan de buitenkant staat een groot bord waarop Urban Redevelopment Authority staat. Stadsplanning dus. Binnen staan grote borden met de toekomstige plannen van Singapore. In het midden staat een gigantische maquette van zeker twintig bij dertig meter. Het centrum van Singapore wordt weergegeven, elk gebouw tot in detail. Alleen is het niet het huidige Singapore, maar het Singapore over een aantal jaar. Ten zuiden van het CBD ligt het land waar ik zojuist zoveel hijskranen zeg. Het blijkt opgespoten te zijn, uiteraard door Nederlanders. Het land dat is ontstaan heet Marina Bay en wordt onder andere een uitbreiding van het CBD en een sport park. De baai zelf wordt ook een watersport park. De maquette verandert bijna maandelijks mee met de plannen voor Singapore.
Hier houd ik van. Dan komen wij met onze suffe Zuidas die altijd afgekeurd wordt.
In mijn lonely planet lees ik over een Hawker Center net om de hoek. Ik besluit mijn maag te vullen en loop wel tien keer de eetgelegenheid op en af. Ik kan gewoon niet kiezen. Uiteindelijk neem ik naast mannen in pak plaats met een bordje Chicken-rice. Het is erg druk maar als ik uitgegeten ben lijkt bijna iedereen weer verdwenen.
Met de metro rijd ik naar een pretpark. Althans zo noem ik het later pas. Sentosa doet me namelijk erg denken aan de Efteling. Van de metro stap ik in de bus. Met de bus rijd ik over een brug naar het eiland toe waar hij uiteindelijk stop vlakbij het strand. Het strand is echter een opgespoten zandbak aan het water in de vorm van ronde inhammen. Zo’n twintig meter uit de kust liggen op een rijtje netjes opgespoten neppen eilanden met daarachter de openzee. Deze zee wordt bevaren door honderden als het geen duizenden schepen zijn. Olietankers, vrachtschepen, oorlogsschepen en waar je nog meer mee kan varen. Even ten noord oosten van Sentosa ligt namelijk de grootste haven ter wereld. Jawel, die van Singapore. Deze haven is inmiddels bijna drie keer zo groot als die van Rotterdam. Het aantal schepen is dus niet meer te tellen.
Stom genoeg ben ik mijn zwembroek vergeten dus plaats ik mezelf onder een palmboom en lees half in de schaduw in mijn boek. Als het een half uur later begint te regenen. Neem ik net als de andere strandgangers plaats onder het speciale regenafdakje.
Tien minuten later besluit ik via een loopbrug naar een van de eilandjes te lopen. Het eilandje bestaat uit een strand, een stenen rand en een plantenboel waar niet door heen te lopen is. Het strand is daarmee leuk geweest.
Een stukje terug richting het busstation gaat een paadje een berg op. Eerst via een trap, daarna met een wandelpad langs een fontein. Zowel in de trap als het pad zitten luidsprekers verstopt waarmee het Efteling gevoel naar boven komt. Hier zijn het alleen geen vrolijke sprookjes liedjes, maar reclame voor Sentosa. Met Amerikaanse stemmen vertelen een man en een vrouw over het geweldige eiland, met haar schoonheid, relaxedheid, golfbanen en hotels. Ik vind het geweldig maar ik ben al op Sentosa en heb geen cent te makken.
Aan het einde van het wandelpad staat een mangemaakte berg, enkel bereikbaar door, je raad het al: roltrappen. Wat wil je nog meer als je een wandeling maakt? Boven op de berg zit een observatie toren in het hoofd van een leeuw. Deze leeuw is het symbool van Singapore en heeft als onderlichaam een vissenvin. Logischerwijze heet het dier dan ook Merlion en is als nationaal Symbool overal in Singapore te vinden. Zo ook hier op Sentosa.
Ik sta prima op de berg en heb ook een prachtig uitzicht. In mijn gezichtsveld licht de haven van Singapore, daar achter van het CBD en Marinabay. Aan de horizon denk ik Johor Baru te zien liggen. Een paar foto’s leggen mijn herinneringen vast en via de roltrap, het wandelpad en de trap neem ik weer afscheid van dit te commerciële paradijs. Met de metro ga ik terug naar mijn hostel waar ik mijn weblog schrijf en mail lees. Op het terrasje lees ik wat in mijn boek als mijn maag alweer begint te knorren. Diep van binnen heb ik ’s middags al besloten om in het Lau Pa Sat Centre te eten gelegen in hartje CBD. Het is amper half zeven en dus is er ook bijna niemand. Ondanks de vroegte eet ik erg uitgebreid. Rijst, kip, zoetzuursaus, ei en tofu. Dit Hawker Centre ziet er anders uit dan de rest. Misschien wel omdat het in het CBD ligt. Alle kraampjes vormen met een viertal kleine rondekioskjes. Daaroverheen staat een groot puntdak en verspreid in het gangpad staan tafels, stoelen en bankjes. Alles is spier wit. Als ik uitgegeten ben, dat erg lang duurt loop ik voor de tweede keer die dag een rondje door Chinatown. Nu ga ik een groot winkelcentrum in. Een aantal winkels is nog open maar veel interessants verkopen ze niet. Bij de uitgang staat wel een Starbucks.
Met mijn Frappachino loop ik naar het puntje van het CBD, een plek waar ik gisteren ook al was. De Quay. Dit kleine stukje Chinatown is afgescheiden door de torens van het CBD. Het enige wat men hier kan doen is eten. Restaurantjes met kaarten en serveersters die je naar binnen proberen te lokken. Serveerders die je met kreeften naar binnen proberen te lokken en terrasjes.
Als laatste op de rij zit een Irish Pub. Totaal overmeesterd door Engelsen.
Via het Cricket veld loop ik naar het Metro station. De metro is rustig en voor het eerst lees ik bordjes. Alles staat in het Engels, Maleisisch, Chinees en Tamil. De vier officiële talen van Singapore. Een van de bordjes verbied het eten en drinken, roken, brandbaren goederen en wonderlijk genoeg in het speciaal Durians. Durians, een fruitsoort, wordt extra voor gewaarschuwd. Eigenlijk is dat niet eens zo gek. De vruchten van dertig centimeter groot en vaak wel drie kilo zijn erg stekelig. Bij plotseling remmen van de metro wil je zo’n ding niet in je gezicht hebben.
Op een beeldscherm kijk ik naar een waarschuwingsfilmpje voor Terrorisme. Amateuristisch wordt na gespeeld hoe een jongeman met een pet een tas neerlegt in de metro en hem zogenaamd vergeet. Nog Amateuristischer en tot mijn verbazing zie ik even later de metro ontploffen.
Terug in het hostel doe ik om elf uurmijn lichtje uit.
Op mijn een na laatste dag in Singapore begin ik weer met een museum. Dit maar het Singapore Art Museum. Waarom ik voor dit museum kies is mijzelf ook onduidelijk maar in mijn lonely planet en op internet staat het hoog aangeschreven als een “must-see” als je in Singapore bent.
Momenteel is er een tentoonstelling over Alain Fleischer, een Franse fotograaf. Door mijn interesse van fotografie vind ik het interessant, ook al is het niet mijn smaak. Naast deze tentoonstelling is er ook een afdeling met moderne kunst, iets wat helemaal niet mijn smaak is. Ik loop er dan ook snel doorheen.
Het Asian Civilisation Museum was interessanter, mede daardoor ga ik al vroeg door naar Orchard road. De grootste winkelstraat van Singapore. Ik begin bij het begin van de straat en loop zo richting de grote winkelcentra op de kruising met Scotts road. In een Carrefour supermarkt koop ik een pak Nederlandse koekjes genaamd Koeken met Chocoladesmaak en ik ga op weg.
Het verschil tussen de winkelcentra is gigantisch. De ene is schoon en heeft de duurste merken. De ander heeft lekkage stort bijna in en verkoopt alleen maatpakken. Ik ga niet veel winkels in, het is druk en ik ben toch niet specifiek opzoek naar iets. Bij een winkel met designer shirts koop ik wel een T-shirtje. De duurste tot nu toe, dertig Singapore Dollar. Op de hoek van Scotts road neem ik plaats bij een Starbucks. Ik vraag uiteraard om een Frappachino terwijl ik lekker naar alle drukte kijk. De kruising met vierbaans wegen is over vol. Auto’s staan vast, toeteren en schreeuwen maar botsen niet. Als het voetgangersstoplicht op groen gaat wordt de weg overspoeld door honderden mensen. Toch is alles georganiseerd.
Een hele tijd zit ik langs het kruispunt, als het tegen lunchtijd loopt ga ik op weg naar Newton Circus. Met de metro ben ik er binnen drie minuten. Ik eet opnieuw Murtabak.
Aan het einde van de middag ga ik terug naar het hostel waar ik weer mijn mail lees en mijn weblog schrijf. Op het terras zit ik rustig in de schaduw. Deze stad is prachtig, maar je moet niet te veel doen. Na Melaka is het nogal overweldigend, vandaar dat ik het rustiger aan doe.
’s Avonds loop ik naar een van de grootste Hawker Centres in Singapore. Het Tekka Centre ligt in Little India langs Sungai road. Teminste, volgens mijn Lonely Planet. Een groot bord deelt me mee dat het Tekka Centre is verhuisd naar het westen van Singapore wegens verbouwing. Jammer, dan maar ergens anders heen.
Doelloos loop ik Little India verder in. Ik kom langs Dunlop street waar mijn eerste hostel keuze in zit en andere straatjes. Veel restaurantjes gaan net open maar hebben allemaal geen maaltijden waar ik trek in heb. Wel is het een gezellige beurt met veel toeristen en alleen maar Indiërs. Daarmee zijn de winkeltjes vooral stoffen, tapijten en maatpak zaken. Geen van drieën heb ik momenteel nodig dus loop ik weer richting mijn hostel.
Op de heenweg zag ik iets dat veel op een Hawker Centre leek. Het ligt ergens achter een grote toren dat deels een winkelcentrum is. Via het winkelcentrum probeer ik er te komen. De winkels zijn dicht, wel zie ik een klein hoekje waar een minuscuul Hawker Centretje zit. Het bestaat uit drie eetkraampjes.
Ik bestel een cola en een portie kip saté. De mevrouw zegt iets in het chinees tegen me en uiteraard begrijp ik voor geen meter wat ze bedoelt. Uitgerekend in Singapore kom ik voor het eerst sinds mijn reis in de knoei met de taal. Als de mevrouw het eindelijk in gabaren taal uitlegt begrijp ik dat ik het drinken ergens anders moet kopen. Dan zie ik pas het drinkkraampje.
Het eten is heel erg goed. Blijkbaar komen er nooit toeristen want de mevrouw en haar familie kijken me iedere minuut aan. Op de tv kijk ik naar een soap. De Singaporese variant van Goede tijden Slechte tijden in het Maleis. Als ik uitgegeten ben loop ik het winkelcentrum uit. Dan pas kom ik het Hawker Centre tegen waar ik in eerste instantie naar opzoek was. Het is druk rond de ongeveer vijftig kraampjes. Bij een drinkkraam koop ik als toetje een Sugarcane drankje. Het bestaat deels uit het sap van suikerriet en deels uit water. Al meerdere keren heb ik het zien staan en was er best nieuwsgierig naar. Het blijkt een aparte smaak te hebben. Wat bitter maar niet zo zoet. De groene kleur maakt het wat gek en uiteindelijk besluit ik dat het niet voor herhaling vatbaar is.
In mijn hostel ga ik vroeg slapen. Boven mij heeft inmiddels iemand anders zich geplaatst. Voor mij is het de laatste nacht.
Zeventien juli 2008. Ik sta niet heel vroeg op maar pak wel gelijk mijn tas in. Deze mag ik van de hostess achterin laten staan. Zo begin ik aan de laatste dag van mijn reis.
Via de Metro reis ik naar Orchard road. Ik kan het niet laten een haal voor de laatste keer een Frappachino bij Starbucks waarna ik op pad ga voor een lange wandeling.
Aan Orchard road liggen de Singapore Botanic Gardens. Dit park bijna anderhalf keer zo groot als het Vondelpark en ligt net als het Vondelpark in de rijke buurt van Amsterdam. Na drie keer verkeerd te zijn gelopen sta ik eindelijk op Holland road bij de ingang van de Botanic Gardens. Ik voel me thuis in het park. Het is groot en heel erg goed onderhouden. Veel beter dan het Vondelpark en heeft daardoor een betere uitstraling. Bij Swan Lake zie ik geen enkele zwaan. Wel zwemmen er een tiental schildpadden in het meertje. Bij Palm Valley ligt prachtig gras met hier en daar een palmboom. Aan het einde staat een symfonie gebouwtje aan het water.
Ik zet voet naar de National Orchid Garden. Deze tuin behuisd meer dan duizend orchideeën. De toegang is vier Singapore Dollar maar het is mijn laatste dag dus ik heb het er voorover. Op een boomstammetje wissel ik de lenzen van mijn camera. Een lens rolt er per ongeluk af. Shit! Hij valt hard op de grond maar gelukkig is het glas niet beschadigd. Ik probeer hem op mijn camera maar hij focust niet meer. Stom, nu moet ik altijd handmatig focussen.
De tuin heeft paden die door elkaar lopen, dus een logische route is er niet. De orchideeën zijn heel erg verschillend. Sommige heel saai, anderen heel raar en weer anderen heel mooi. Het is hier drukker in het park en ondanks mijn kapotte lens maak ik toch een paar foto’s.
Aan het einde van de tuin staat een grote kas. De kas brengt de temperatuur omlaag voor orchideeën die uit een lager klimaat komen. Door alle stoom zie ik niet veel en de orchideeën die ik zie zijn niet erg mooi. Buitengekomen staat een hele rij van de nationale bloem van Singapore. De Vanda Miss Joaquim. De bloem zal vast heel mooi zijn, maar dit rijtje ziet er niet uit.
Verderop het park in kom ik een bord met de kaart erop tegen. Erg veel paden zijn er niet, wel een aantal openvelden. Via de paden probeer ik naar de openvelden aan de noordkant te komen. Vijf keer loop ik een rondje en uiteindelijk ben ik goed op weg.
De openvelden bestaan uit prachtig gekort groen gras met hier en daar een bosje. Waarom kunnen wij dit in Nederland niet, bedenk ik bij mezelf. Elke malloot maakt het weer kapot en als dat niet gebeurd wordt het niet onderhouden.
Bijna een uur later ben ik aan het einde van het park. Ik zoek in mijn lonely planet een locatie om te eten en een kwartier later sta ik op het Adams road foodcourt. Het wat kleine Hawker Centre is totaal niet toeristisch. Er zijn dan ook vooral mensen uit de buurt en kantoorlieden. De man waar ik verse Ice Tea bij bestel vraag geïnteresseerd waar ik vandaan kom en wanneer ik weg ga. Daar bovenop vraagt hij hoe ik hier terecht ben gekomen.
Het eten is beter dan op het toeristische Newton Circus maar ook een stuk verder. De weg waar dit Hawker Centre aan ligt loopt wel naar het Newton Circus. Deze weg, genaamd Dunearn road heeft in het midden een betonnen rivier lopen. Misschien is het wel een riool, maar vandaag zit er helemaal niets in. Ik loop de weg af en kom langs honderden vrijstaande huizen die rij na rij allemaal anders zijn. Halverwege steek ik over bij een stoplicht. Hierna zijn het geen huizen meer maar saaie flats. Eindelijk kom ik bij Newton Circus waar ik mezelf beloon met een Ice Tea. De metro brengt me regelrecht naar het Hostel waar ik mijn tas ophaal en op weg ga naar het vliegveld. Tien haltes, een overstap en driekwartier later ben ik op Changi Airport. In het Metro station ga ik opzoek naar een loketje waar in mijn metrokaart in kan ruilen. Het loketje is gesloten, de lunch pauze duurt blijkbaar tot vier uur. Jammer, dat laatste geld kon ik wel gebruiken.
Met drie roltrappen ga ik omhoog. Voor me stapt een schoonmaker op. Het lapje zet hij tegen de rand van de roltrap en zo boent hij het prachtig schoon. Als we boven zijn neemt hij de trap weer naar beneden.
Op een groot bord zoek ik mijn vlucht naar Melbourne op, terminal ???????????????????????. Een monorail brengt me erheen. Het blijkt niet ver te zijn, maar dit waren de enige bordjes. Bovendien is het niet lekker lopen met mijn bepakking.
Ik ga opzoek naar de Qantas balie. Natuurlijk is het de enige balie met een rij maar ik sluit geduldig aan. Mijn paspoort overhandig ik aan de mevrouw, ze geeft mijn boardingpass en ik geef mijn tas. Omdat er verder niets te doen is ga ik de douane maar door.
Drie uur heb ik te verslijten, natuurlijk ben ik veels te vroeg. Maar dat is nog altijd beter dan te laat. Het eten is hier duur en omdat ik amper nog geld heb eet ik bij de Burger King. Mijn laatste geld geef ik uit aan een hamburger en een cola. Leuk om zo je reis door Zuidoost Azië af te sluiten.
Ik internet nog wat en eindelijk begeef ik me naar de Gate. Natuurlijk wachten we daar weer. Detectiepoortje, nogmaals douane, paspoort controle en we mogen aanboord. Binnen word ik vriendelijk gegroet door een stewardess die me het gangpad door leidt. Ik loop direct door de Business Class door naar de Economy Class. Daar zoek ik mijn stoel op rij nummer ??????????. Alleen Economy Class begint pas bij rij twintig. Verbaasd loop ik terug naar de Business Class. Jawel, daar staat mijn stoel, rij ????????????????? stoel A bij het raam met heel veel beenruimte. Verbaasd kijk ik om me heen en ga maar zitten. Met mijn tas nog om vraagt een langslopende stewardes: “Champagne of sinasappelsap?”
“Uhm”
Grote glimlach.
“Zit ik wel in de goede stoel?” en ik geef haar mijn boardingpass.
“Ja zeker” met een glimlach die steeds groter wordt
“Sinasappelsap dan graag” glimlach ik nu ook.
Een keuze waar ik spijt van heb.
Langzaam aan gaan meer mensen om me heen zitten. Naast me plaatst en jonge Australiër zich naast me. Hij is het duidelijk wel gewend.
Maar als ik ’s nachts naar de wc ga voel ik me toch wel verheven boven het “gewone volk” in de Economy class. Vooral omdat ik evenveel heb betaald.
???????? uur later land het vliegtuig op Melbourne International. Ik stap uit en ga het tweede deel van mijn vakantie te gemoed met mijn ouders, zus, familie, motorongelukken, regen, kou, warmte, zee en zon.
Rammen op de deur helpt niet en ik heb geen flauw idee waar de baas slaapt dus ik loop weer naar boven langs de kamers. Ik hoor hard gesnurk in kamer dertien. Voorzichtig klop ik op de deur en het gesnurk stopt. Ik klop nog een keer zachtjes en even later doet een oudere Britse man de deur open. Het is zo een man waar je toch wel even je wenkbrauw bij optrekt als je, je afvraagt wat hij alleen in een dergelijk land doet op zijn leeftijd. Maar je mag natuurlijk niet te snel oordelen!
“I’m very sorry that i had to wake you, but I can’t open the back door. Can I use your key?”
Hij knikt en pakt zijn sleutel uit de deur. Bingo! Hij heeft wel twee sleutels. Ik pak ze aan en loop de trap af, haal het slot eraf en hij neemt hem aan.
“Where are you going now?” vraagt hij nog
“KL”
Hij knikt en ik bedank hem. Hij knikt weer en doet de deur op slot en ik haast me de deur uit.
Nog ruim op tijd kom ik via de uitgestorven straatjes aan bij de ferry. Voor mijn trein ben ik ook te vroeg en als die uiteindelijk om zeven uur vertrekt ben ik een van de weinige in de hele trein.
Langs de hele route door het binnenland zie ik ontzettend veel wegwerkzaamheden en andere bouwputten. Verder ook een aantal gigantische prachtige nieuwe stations waar we niet eens stoppen en het dus meer op projecten lijken die bedoelt zijn om de werkloosheid tegen te gaan.
Net iets na twee uur ’s middags komt mijn trein aan in Kuala Lumpur. En wat een stad is dat zeg. Helemaal voor een stad die nog geen honderd vijftig jaar oud is. Langs het spoor staan gigantische woontorens met vijftig verdiepingen of meer. Hier en daar zie ik ook een puntje van de Petronas Towers.
Als ik uitstap op het station, dat overigens ook gloednieuw is, en de roltrap op rol wordt ik gegroet door een man die vraagt wat er met mijn voet is gebeurd.
Op mijn voet zit inmiddels een verbandje voor het niet helende wondje. Ik vertel hem over het prikkende koraal en dat het niet heel goed wil helen. Plotseling begint de man een heel vaag verhaal over cultuurverschillen, over een vriend waar hij altijd discussies mee heeft en dat hij dat ook graag met mij zou willen. Ik bedank hem en zeg dat ik graag naar mijn hostel toe wil en of hij me misschien kan vertellen waar de monorail is.
“Give me half an hour and I’ll bring you to the monorail” zegt hij me.
Maar ik bedank hem nog een keer.
“Just something to drink for half an hour and I’ll show you where it is.”
Tot op de dag van vandaag weet ik niet precies waarom ik ja zei.
In een restaurantje gaan we zitten en hij gaat wat drinken halen. Plotseling vraag ik me heel erg af wat ik hier precies doe, wat de man niets stond te doen boven aan de roltrap en waarom ik hier nog steeds ben als ik die vent toch niet ken. Ik sta op en loop weer weg in de richting van de uitgang. Op de trap naar beneden hoor ik hem al roepen.
“Where are you going?” vraagt hij nog al boos, wat te begrijpen is.
“Why are you being so rude”zegt hij dan.
“Because I don’t trust you and I don’t know you” zeg ik maar eerlijk.
“Then get to know me!” zegt hij min of meer kwaad.
Nu zeg ik duidelijk nee en plotseling loopt hij weg. Ikzelf loop weer opgelucht in de richting van de uitgang als hij opeens weer voor me staat om nog een keer te zeggen dat ik onbeschoft ben en zelfs een schande voor mijn land. Hij drukt me het blikje drinken in mijn handen waarop ik zeg dat hij dat niet hoeft te doen.
“Just take it! Your embarrassing me!” zegt hij bijna paniekerig.
Met een mond vol tanden en een beetje van mijn stuk kijk ik hoe hij voor de laatste keer van me weg loopt.
De monorail blijkt uiteindelijk aan de andere kant van het plein te zijn waar het station aan ligt. Een plein is het overigens niet echt te noemen. Het is meer een soort zandvlakte met hier en daar een stukje gras, compleet vol gebouwd met auto’s.
Zonder overstappen kom ik aan bij mijn halte. Een monorail station boven een drukke weg langs grote winkelcentra. Na nog tien minuutjes te hebben gelopen vind ik zonder probleem het hostel dat ik op oog had, Pondok Lodge. Via een trap kom ik het hostel binnen. Er is nog een blonde mevrouw voor me die ook incheckt. Ik groet haar waarna ik aan de beurt ben.
Dit is de eerste keer dat ik op een “dorm” zit. Een zogenaamde meer persoonskamer. Gewoon een financieel kwestie. De kamer bestaat maar uit twee stapelbedden met twee bedden per stuk. Een van de bedden is bezet. Ik leg mijn spullen bij het overgebleven onderste bed en ga vrijwel meteen weer de straat op om iets te eten.
KL is duur! Heel veel duurder dan Thailand en zelfs Georgetown. Gelukkig hebben ze hier ook de wereldberoemde Chicken-rice die deze keer eerder een keuze is uit geldgebrek dan vanwege het gemak.
Eenmaal terug in het hostel kom ik dezelfde blonde mevrouw tegen. Ze spreekt me aan en vraag wat ik hier doe en of ik alleen ben. Anja zelf, want dat blijkt haar naam te zijn, komt uit Hamburg in Duitsland. Vanuit Australië is ze hierheen gevlogen om rond te reizen met haar vriendin. Haar vriendin ligt alleen ziek in Australië dus heeft ze de komende weken allen in Zuidoost Azië te verdoen tot haar vriend uit Duitsland haar in Hong Kong komt vergezellen.
In eerste instantie vindt ik Anja redelijk normaal. Later kom ik er achter dat ze eigenlijk niets weet van Maleisië of Thailand, waar ze later ook heen zal gaan.
Anja weet niets te bezoek in KL want ze heeft niets uitgezocht.
Anja weet niet wat de munteenheid, laat staan wat de waarde ervan is ten opzichte van de Euro.
Anja is verslaafd aan McDonald’s en mag er van haar vriend niet heen.
Anja houdt niet van Aziatisch eten.
Anja weet de weg niet en zal zonder mij waarschijnlijk de komende dagen verdwalen.
Ja inderdaad, Anja en ik trekken de komende dagen op. Alle gezelschap is goed bedenk ik maar. Gelijk die middag gaan we naar de hoge toren in KL. Niet de Petronas Towers, maar Menara Kuala Lumpur; KL Tower. Geen kantoor gebouw maar een simpele tv-toren van vierhonderd twintig meter die meer gebouwd is om het hoog zijn dan om een echte nuttige functie.
Bij de ingang wordt om onze nationaliteit gevraagd waarna we netjes in onze eigen taal begroet worden. Eenmaal binnen wachten we een tijdje op de lift in een halletje met kristal belegd plafond. De lift brengt ons vervolgens naar een hoogte van driehonderd vijfendertig meter en het geweldige uitzicht over Kl. We steken overal ver bovenuit. Allen de Petronas Towers staan recht voor onze neus. De rest van de wolkenkrabbers zien we echter ver beneden ons. Zo’n uitzicht heb ik van mijn leven niet gezien. De zichtbaarheid is nog best goed ook al is deze stad goed vervuild.
Een halfuurtje later hebben we het weer gezien en gaan we met dezelfde lift weer naar beneden. We besluiten de stad maar even te verkennen en lopen in westelijke richting naar de central market. Om te kijken of we wel goed gaan zoek ik het kaartje in mijn Lonely Planet op. Tien seconden later loop ik met mijn domme kop tegen een verkeersbord dat net te laag hangt. Met barstende koppijn loop ik verder. Op de markt is niet heel veel bijzonders te zien. Er tegenover zit Chinatown, maar vanwege de drukte besluiten we daar vandaag niet in te gaan. Aan de andere kant van de rivier die langs de markt loopt staat een imposant gebouw wat later het vroeger hoofdkantoor blijkt te zijn van Petronas. Voor de Petronas Towers werden gebouwd. De rivier waar het gebouw aan ligt is de hoofdrivier van KL, bestaande uit de rivieren Gombak en Klang.
Een korte uitleg over het ontstaan van KL. Een aantal mijnwerkers werkten, volgens de legende, honderd vijftig jaar geleden op de plek waar de twee eerdergenoemde rivieren elkaar tegenkomen. Ze noemden deze plek “modderige samenvloeiing” oftewel Kuala Lumpur vanwege de modderige rivieren. Al snel overleden alle mijnwerkers aan Malaria maar hun vondsten trokken meer mijnwerkers aan en plotseling was er een heuse stad.
Tegenwoordig zijn beide rivieren zo smerig dat er geen ruimte meer is voor modder.
Een stukje verder aan de andere kant van de rivier waar de toren staat ligt Merdeka Square. Een plein, gebouwd ter ere van de onafhankelijkheid van Maleisië. Tevens een plein dat er heel mooi uit ziet. Omringd door overheidsgebouwen en belegen met een goed onderhouden gigantisch groot grasveld met op de achtergrond de skyline van financieel KL.
Na hier nog wat rond te hebben gekeken vinden Anja en ik het weer genoeg voor vandaag. We gaan terug naar het hostel waar ik aan Anja vraag of ze misschien zin heeft om vanavond met mij en een locale kennis te eten in Maleisische specialiteit restaurants. Ze zegt er over na te denken. Op mijn kamer kom ik mijn kamergenoot tegen. Een Japanse man. Vanwege zijn slechte Engels en mijn nog slechtere Japans wordt het gesprek niet heel duidelijk. Uit zijn verhaal begrijp ik dat hij hier voor een jaar komt wonen, maar nog geen huis heeft. Vandaar dat hij hier is. Hij moet nu alleen weer weg om te gaan eten.
Om half zeven heb ik met Terrence (de locale kennis) afgesproken om de hoek van mijn hostel. Anja is er niet. Terrence ken ik via fotosite Flickr. Een van origine Chinese Maleisiër met een grote passie voor analoge fotografie die ik nooit eerder ontmoet heb. Toen hij van mijn reisplannen hoorde heeft hij mij voorgesteld me kennis van Maleisisch eten te geven.
Toch een beetje in spanning, onder andere door mijn bizarre ervaring met de man van vanochtend, wacht ik op Terrence in zijn gloednieuwe rode Suzuki. Niet veel later zie ik even verderop het drukke kruispunt zijn autootje stoppen. Ik stap er op af en maak kennis met Terrence. Hij is heel anders dan ik me had voorgesteld, een stuk jonger. Ik schatte hem rond de eind veertig. Hij blijkt amper dertig te zijn.
Met zijn auto rijden we naar het restaurantje dat Terrence heeft bedacht. Onderweg praten we over Maleisië. Wat mij opvalt, nu ik hier ben. Onder andere de kaartjes voor de monorail koop je een kaartje per monoraillijn en niet een kaartje voor een hele dag of week. En hij stelt vragen over Nederland. Onder andere wat het verschil precies is tussen The Netherlands en Holland.
In een parkeergarage aan de rand van het KL Chinatown zetten we de auto neer en lopen we verder over de markt waar ik vanmiddag met Anja niet heen ging. Net als in Bangkok verkopen ze ook hier de duurste merken voor bijna niets. We lopen door, steken een steegje in en slaan de hoek om. Bij een wat kaal chinees restaurantje stoppen we. Als enige westerling ben ik hier te gast.
Terrence vraagt wat ik wil drinken en of het goed is of hij het eten voor mij besteld. Ik vind het prima en ben benieuwd wat ik voorgeschoteld krijg. Hij bestelt bij de restaurant eigenaar die hij schijnt te kennen.
We praten nog wat over ditjes en datjes als niet veel later het eten wordt geserveerd vanaf een zijstraatje aan de overkant van de straat. Het blijkt heel normaal te zijn dat de keuken een paar straten verderop zit van het restaurant zelf.
In een soort kokendheet stoofpotje met onder andere varkensvlees gooit de eigenaar een rauw ei. Ik ben er nogal verbaad over, maar als ik zie dat het ei letterlijk begint te bakken in het potje waarna het erdoorheen wordt gemengd vind ik het alweer goed. Op een andere schaal liggen ronde schijfjes in een saus en als laatste een bord rijst.
We delen met zijn tweeën de drie gerechten. Terrence legt uit wat het allemaal is. Het stoofpotje is inderdaad varkensvlees met een rauw ei, een soort deegrolletjes gemengd met een pepersaus en rijst. De ronde schijfjes blijken varkensorganen te zijn, darmen neem ik aan, in een stevige pittige saus. De rijst is gewoon rijst.
Het stoofpotje is heel erg lekker, en de pittigheid valt me heel erg mee. Ik merk wel dat het erg vult en besluit een varkensorgaan te proeven. Het rondeschijfje proeft wat sponzig en taai aan en heeft een aparte smaak. Maar met de saus eroverheen smaakt het wel.
We zijn amper een kwartiertje aan het eten als Terrence zegt dat ik niet te veel moet eten. We hebben nog een volgende halte. Ik trek mijn portemonnee om te betalen maar Terrence zegt nee. Ik zeg ja, en Terrence zegt nogmaals nee. Met argumenten als “Jij neemt mij al hier mee naar toe” en “Jij doet al zoveel moeite” probeer ik hem ervan te overtuigen dat ik moet betalen. Maar het mag niet baten.
We lopen weer verder en Terrence vraagt of ik het erg vind van de straat te eten. Ik vind het goed, ik heb al varkensorganen gegeten dus wat maakt het allemaal nog uit?
We lopen een doodlopend steegje in en Terrence vraagt een oudere man iets. De man antwoord waarop Terrence verteld dat het vandaag niet open is.
Met de auto gaan we naar een andere locatie toe. In de parkeergarage stel ik klam voor te betalen maar dat aanbod wordt hard maar beleefd neergeslagen. Ik besluit er verder niet op in te gaan en de volgende maaltijd te betalen voor dat Terrence ook maar wat kan zeggen.
Met de auto staan we gelijk in de file, boven ons rijd de monorail. De verschillende lijnen kruisen elkaar en gaan door, over en onder gebouwen door.
“Ik vind het heel bijzonder dat jullie hier in Maleisie zo goed dit soort dingen kunnen bouwen. Hoelang duurde het voor alle lijnen er lagen?”
“Ongeveer tien jaar” antwoord Terrence mij.
“Kijk, dat kunnen wij niet. In Amsterdam doen ze al acht jaar over een metro lijn. En het zal nog zeker vijf jaar duren. Hier worden gewoon een paar metro en monoraillijnen uit de grond gestampt in minder tijd dan wij er een doen.” Probeer ik hem te complimenteren
“Klopt, maar hier misschien niet iedereen het er mee eens. De overheid dramt hier vaak zijn zin door.”
“Ik weet even niet wat te zeggen. Waarschijnlijk heeft hij wel gelijk.”
We rijden verder en langs een grote weg stoppen we bij iets dat op een groot weg restaurant lijkt. Het blijkt een klein Hawker Centre te zijn. We gaan aan een tafeltje zitten en Terrence vraagt of ik van zoetigheid houd. Ik knik van ja en hij gaat eten halen. Met drie crêpeachtige dingen en twee verse ijsthee komt hij terug. Dit is Roti zegt hij. Ik moet meteen denken aan Surinaamse Roti, maar dit ziet er toch wel heel anders uit. Twee van de pannenkoekjes zijn opgevouwen. Tussen de ene zit ei, tussen de andere zit groente. De laatste staat rechtop, is in een cirkel gedraaid en bestrooid met suiker. De smaak? Een soort tortilla met pannenkoekmix. Als we uitgegeten zijn blijkt Terrence al betaald te hebben toen hij het eten haalde. Ik voel me schuldig maar zeg het niet tegen hem.
Terrence stelt voor de Petronas Towers te bekijken, ’s nachts zijn ze namelijk nog mooier. Vlak voor de torens parkeert hij de auto. Bij de aan de voorkant gelegen fontein lopen we wat rond en maken we foto’s en bewonderen het iconische gebouw waar een vijftig meter lange Maleisische vlag aan hangt.
Later rijden we nog een stukje van het gebouw af, waar we een beter zicht hebben op de torens en het complex er om heen genaamd KLCC, wat staat voor Kuala Lumpur City Centre.
Tot slot heeft Terrence me nog een ding te laten zien. Iets waar in vanmiddag al geweest ben maar ’s nachts er nog mooier uit ziet. Merdeka Square, het plein van de vrijheid. Een van de overheidsgebouwen blijkt behangen te zijn met duizenden lampjes waardoor het overal uitspringt. Op de achtergrond branden hier en daar lampjes op de gigantische wolkenkrabbers met daarvoor het blauwe licht van de oude Masjid Jamek moskee. We maken weer wat foto’s en horen plotseling oorverdovend motorgeluid. We kijken op en zien een groep auto’s knoert hard voor ons langs rijden. Het blijken de beroemde oftewel beruchte illegale auto races te zijn. Binnen een paar seconden zijn ze alweer de hoek om en besluiten wij ook maar eens op te stappen. Het is alweer een uur en morgen ga ik met Anja de Petronas Towers in.
Om negen uur ontmoet ik Anja bij het ontbijt wat nergens naar smaakt. Kleffe croissantjes met plastic jam en aanmaak sinasappelsap. Niet lang daarna gaan we te voet naar de Petronas Towers. We kennen de weg niet, maar de torens steken overal bovenuit. Dus zo lastig kan het niet zijn. Eindelijk staan we om tien uur voor de torens en vragen een bewaker om de ingang. Hij wijst ons een roltrap naar beneden in het spic en span schone gebouw met marmeren vloeren. Al we benden aankomen staan er voor ons zo’n acht honderd mensen in de rij. Per dag worden er maar veertienhonderd kaarten uitgegeven om het gebouw te bezoeken dus wie weet zijn we al te laat. We gaan toch in de rij staan en wachten. We wachten nog wat langer en daarna nog wat langer. Na meer dan anderhalf uur in de rij te hebben gestaan zijn we aan de beurt. Maar het enige wat we krijgen is een kaartje met daar op de tijd half twee. Tot die tijd moeten we ons maar vermaken.
We rollen de roltrap weer omhoog en gaan dan opzoek naar een wc in het spiegelschone gladde winkelcentrum dat wordt behuisd door de grootste Twin Towers ter wereld. Nergens zien we een bordje en lopen maar wat rond tot we bij de uitgang komen. Aan een schoonmaker vragen we waar we een wc kunnen vinden en die wijst ons een eindje terug en een verdieping hoger. Eindelijk vinden we een deur die naar de wc’s leid. Ik loop de mannen wc’s binnen en tref daar een van de smerigste wc’s die ik in mijn hele vakantie heb gezien. De laatste keer dat die schoon gemaakt is moet weken geleden zijn. Terwijl ik daar sta verbaas ik me over het verschil met het prachtig onderhouden en schone winkelcentrum.
Buiten bedenk ik samen met Anja wat we de komende drie uur gaan doen. In het KLCC complex zit ook een groot aquarium dat Anja graag wil zien. Ik vind het prima en na een kwartier door allerlei tunnels onder het gebouw te hebben gelopen komen we aan bij een dichte deur. Om precies half een gaat het aquarium weer open.
Ik stel voor naar het centrum te gaan zodat ik een bus kaartje kan kopen voor mijn bestemming na KL, Melaka. Anja vind het goed en na weer een kwartier terug te hebben gelopen, dit maal bovengronds langs een gigantische fontein en een meertje dat nog steeds bij het KLCC complex hoort stappen we in de metro. Na een keer overstappen komen we aan bij Plaza Rakyat waaraan het grootste busstation van Maleisië is gelegen. En of het groot is. Mijn Lonely Planet raadde busmaatschappij Transnational aan en waarschuwde me voor het overweldigende busstation. En of het overweldigend is. Via een trap loop ik met Anja een soort winkel centrum in. Alleen verkopen alle winkels, die even groot zijn dat er net een verkoper achter een kleine balie past, het zelfde. Buskaartjes. Op het gangpad dat tussen de verkooppunten ligt lopen voor vijftig procent reizigers. De andere vijftig procent zijn ook verkopers. Allen uitgerust met een boekje met tijden en een walkietalkie praten ze met zijn allen te gelijk tegen mij. Zowel in het Engels, het Maleis als het Chinees. Ik probeer me af te sluiten en ga op zoek naar een hokje met Transnational erboven. In het negende gangpad vind ik drie hokjes op een rij. Ik wordt vrijwel direct geholpen en koop voor vijfentwintig ringgit een kaartje naar Melaka. Terwijl ik met Anja naar de uitgang loop zie ik er tegenop hier morgen terug te komen naar deze schreeuwende mensen met al mijn bagage.
Intussen is het twaalf uur geweest en lopen Anja en ik nog wat door de stad. Na een kwartiertje gaan we maar weer terug naar het KLCC complex en zoeken daar iets te eten. In een Delí France cafeetje koop ik mijn smerigste en duurste lunch van de hele vakantie. Een klef koffie broodje met chocolademelk. Eindelijk na nog een half uur door het winkelcentrum te hebben lopen rollen we de roltrap weer naar beneden. Daar staan we nog een paar minuutjes in de rij, mogen we nog even wachten met een groep anderen en worden dan vriendelijk verzocht een mevrouw te volgen. Onze groep wordt in vier groepjes gedeeld waarna we allemaal een mooie bril uitgereikt krijgen. In een bioscoop zaaltje verteld een mevrouw wat we hier in godsnaam doen, een film bekijken. Hierna zullen we met de lift omhoog gaan. De film is een groot werk propaganda lijkt het wel. Hoe geweldig is Petronas wel niet? Wat doet Petronas allemaal voor goeds met haar geld? Zorgt Petronas wel goed voor haar bevolking? Ja natuurlijk! Want Petronas heeft Maleisië groot gemaakt sinds de onafhankelijkheid. We verkopen dan we olie en vervuilen wel het milieu, maar we hebben goede bedoelingen hoor!
Een kwartier later worden we groepje voor groepje naar een detectie poortje geleid. Dat wordt dus riem af, portemonnee weg, camera weg en dan mogen we door. Elk groepje wordt in een lift gestopt waar honderd zesenzestig knopjes in zitten, twee per verdieping. Onze Petronas mevrouw die ons begeleid drukt op het eenenveertigste groene knopje. Een paar minuutjes later kunnen we alweer uitstappen. Hier is de beroemde luchtbrug waar wij ons mogen vergapen aan het uitzicht. Na een minuut vind ik het al dood erg tegenvallen. Ik sta hier dan wel in de Petronas Towers maar dat is dan ook alles. Het duurde drie uur, ik sta meer dan honderd meter lager dan gisteren, het uitzicht is slechter, ik werd gepropageerd en iedereen maakt er zo een hype van dat het helemaal nergens opslaat.
Na tien minuten worden we alweer bij elkaar geroepen door onze Petronas mevrouw waarna we weer in de lift moeten stappen. Eenmaal beneden kan een machine uitrekenen hoeveel keer groter de torens zijn dan jijzelf. Ik kom uit op tweehonderd zevenenveertig maar het boeit me niks. Gelukkig was deze tegenvaller nog gratis.
Het is mijn laatste dat in KL, dus mag ik van Anja zeggen wat we nu gaan doen. Ik vind het nergens opslaan, want ik bedenk de afgelopen twee dagen constant wat we doen maar vind het best en zeg niets.
Ik ben nu al een aantal dagen in een moslim land maar heb er, behalve honderd moslim meisjes in de trein, amper iets van gemerkt. Daarom stel ik voor om naar het Islamic Arts Museum te gaan, even ten westen van het stad centrum.
Om daar te komen moeten we het spoor over. Hoe? Geen idee. We lopen maar een richting op die goed lijkt maar bij het hoofdpostkantoor van Maleisië snappen we het allebei niet meer. Gelukkig komt er een aardige portier naar ons toe die de weg wel even verteld. We volgen zijn aanwijzingen maar komen terecht bij de snelweg, geen van ons beiden heeft heel veel zin die over te steken. Via een weggetje naast de snelweg lopen we naar het zuiden waar we na een hoop meters verder een tunneltje tegen komen die naar de andere kant van de snelweg leidt. Eindelijk zijn we op de goede weg. Ik kijk goed hoe de weg loopt via de lonely planet en voor ik het weet loop ik met mijn domme kop tegen een plastic, op zijn kop hangende bak die net te laag hangt. Anja lacht me hard in mijn gezicht uit en ik neem het haar niet eens kwalijk. Voor de tweede keer in amper een dag stoot ik mijn hoofd op precies dezelfde manier.
De bak, die zowat mijn hoofdafdruk draagt, blijkt een standplaats te zijn personen die op een taxi wachten. Zo worden ze niet nat.
Weer met barstende koppijn loop ik verder. Eindelijk komen we bij het museum dat langs een lange avenue loopt met gigantisch dure villa’s en ik krijg het Amsterdam oud-zuid gevoel.
Het museum ziet er nogal leeg uit als we op de marmeren vloer naar binnen lopen en een kaartje kopen. Op de eerste verdiepingen staan maquettes van de meest bekende Moskees over de hele wereld. Van de Masjid al-Haram in Mekka, een onbekende Chinese Moskee tot de Masjid Jamek hier in KL. En niet alleen de Maquettes zijn heel gedetailleerd uitgewerkt. Ook het plafond, de muren en pilaren zijn ingelegd, beschilderd en gegraveerd alsof het een paleis is. Helaas wordt ons al snel verboden te fotograferen en lopen we door naar de rest van het museum. Vooral de Islamitische cultuur in zuidoost Azië wordt hier weer gegeven in wandkleden, wapens, kleding, keukengerij en allerlei dagelijkse dingen. Anja heeft het helaas al snel gezien en wil gaan winkelen. Ik vind het prima en zo scheiden onze wegen. Na nog een half uurtje in het museum te hebben rond gekeken vind ik het ook wel welletjes en loop de weg terug naar Merdeka Square en ga via de monorail terug naar het hostel.
Daar aangekomen is mijn kamer vol. Elk bed is bezet en ook iedereen is er, naast de Japanse meneer is er ook een Duits meisje dat rondrijst en een meneer waar ik totaal geen hoogte van krijg. Ik laat het varen en wacht tot Terrence mij weer op pikt. Vanavond neemt hij me mee naar het beste restaurant van KL. Ik heb hem nog voor gesteld ergens te ontmoeten, maar hij stond erop me op te halen voor de deur. Ook al moet hij uren in de file staan. Ik ga er niet veel tegen in, het is een cultuur verschil dus iemand moet zwichten.
Uiteindelijk pikt hij me een half uur te laat voor de deur op. De stad uit gaan duurt niet lang. In de het voorstadje Petaling Jaya (vijfhonderd duizend inwoners) stoppen we in een straat aan een park waar een aantal winkeltjes en een restaurant zitten.
Het restaurant is net als ieder ander Chinees restaurantje. Kale muren met hier en daar een niets zeggend schilderijtje of foto met plastic stoelen en tafels.
Terrence bestelt in het Chinees weer van alles en nog wat, het enige wat me wordt gevraagd is of ik ook IJsthee wil. Natuurlijk! Terrence verteld me over hoe bijzonder dit restaurant is en vaak wordt geprezen als een van de beste restaurants in de omgeving van KL. Inderdaad zie ik, nu ik beter kijk een aantal krantenartikelen aan de kale muren hangen waarin het restaurant wordt beoordeeld. Ook hier duurt het niet lang voor het eten geserveerd word.
Vandaag eten we gefrituurde Tofu met garnalen wat tot een overstijging leidt van mijn band met Tofu. Heerlijk krokant en vol van smaak. Daarnaast krijgen we rijst en nog een specialiteit van het huis, vissenhuid. Iets wat een heel secuur werkje is aangezien het niet mag scheuren natuurlijk, het is namelijk rauw. In eerste instantie heb ik een gemengd gevoel. Het is rauw, maar ook bijzonder. Eenmaal in mijn mond is het wat sponzig en een beetje taai, maar door de kruiden is het best te eten. Een soort Escargots van de Oriënt dus. Als toetje eten we nog een simpel ijsje, natuurlijk wel een speciaal Maleisisch ijsje. Uiteindelijk is het al laat en besluiten we terug te gaan. Ditmaal mag ik betalen. Tenminste een deel. Nee, ook dat niet. Ik mag de fooi geven. Een fooi die gelijk ook heel hoog is. Ik stel Terrence ook nog voor om mij af te zetten op het metro station hier in Petaling Jaya, aangezien hij hier zelf woont en morgen moet werken. Maar ook dat mag niet, hij moet en zal me voor de deur van het hostel afzetten. Inmiddels ken ik Terrence te goed om er tegenin te gaan. Niet veel later neem ik afscheid van een van de gastvrije personen die ik ken.
Om half acht gaat de wekker, alleen de Japanse meneer en ik zijn weer over in de kamer. Ik douche, eet en pak mijn tas in. Ik neem zelfs nog afscheid van Anja en de Japanse meneer voor ik voor de allerlaatste keer de metro neem naar het busstation. Het lijkt er wel drukker dan gisteren. Met mijn bepakking loop ik naar de wachtruimte waar mijn bus vandaan vertrekt. Ik ben veel te vroeg.
Uiteindelijk mogen we met een trappetje naar beneden waar alle bussen staan. Bagage onderin, wij bovenin en wachten op de rest. Oh wacht, bagage onderin? En wie let er dan op? Ik stap weer uit en doe alsof ik nog een luchtje schep terwijl ik op mijn spullen let. Het luchtje scheppen is niet erg geloof waardig gezien alle bussen in deze ondergrondse parkeergarage. Als er meer plaatsen gevuld zijn ga ik weer terug naar binnen en niet veel later trekken we op.
Op de snelweg regent het, mij maakt het niets uit ik zit lekker in de bus. Ook al is het koud van de airconditioning. Als we langs een viaduct komen staan eer een stuk of twintig brommerrijders te schuilen op de vluchtstrook, zelfs al hebben ze een regenpak aan. Een aantal uur is het weer droog en arriveren we bij het busstation van Melaka.
Via een stadsbusje ga ik naar het centrum van de stad. Het centrum bestaat vooral uit het Stadhuys plein met daarom heen Chinatown en allerlei historische locaties. Om het plein heen fietsen tientallen knalgele fietstaxi’s.
Ik stap uit en ga op zoek naar het hostel dat ik op mijn lijst heb staan. Tony’s Guesthouse. Via straatjes, steegjes en vele aanwijzingen kom ik eindelijk aan bij mijn bestemming. Maar er is niemand, er staat een mooi bordje. Om vier uur terug. Dat duurt me nog iets te lang. Dus het wordt op naar de tweede keuze; Sama-Sama Guesthouse. Via dezelfde straatjes, steegjes en aanwijzingen kom ik terug bij het Stadhuys. Dit maal moet ik de andere kant op, het water over naar Chinatown. In een van de straatjes moet het zitten, ik kan het niet vinden. Ik loop heen en weer, weer terug, naar links, naar rechts en als ik heel Chinatown heb gezien en me kapot zweet besluit ik het te vragen aan een Chinese meneer in een klein winkeltje in oude rommeltjes. Hij wijst me en paar straten terug en ja hoor, niet veel later vind ik schuin tegenover een smederij het hostel.
En er is iemand! Ik wordt begroet door een Maleisische meneer die me verteld op zijn vrouw te wachten terwijl ik naar de gigantische schildering van Bob Marley kijk.
Uiteindelijk komt zijn vrouw binnen, een westerse vrouw met een raar accent, misschien Deens? Ze verteld me dat er alleen nog maar een raamloze kamer vrij, maar dat maakt me niets uit. Het kost me toch maar vijftien ringgit per nacht. Ik schrijf me in en wordt verzocht later terug te komen omdat mijn bed nog niet klaar is. Mijn spullen mag ik zolang wel hier laten liggen.
In het Chinatown, dat helemaal niet zo groot blijkt te zijn sla ik, dit maal zonder rugzak, een paar hoeken om en kom zo bij wat de hoofdstraat lijkt te zijn. Daar ga ik in een chinees restaurantje zitten en bestel wat te eten en een Cola. Ik krijg inderdaad het eten geserveerd en de cola. Maar ook een kommetje met troebel water. Zo kom ik voor een bekend dilemma te staan. Is het soep? Of, is het water om je mond en handen schoon te maken? Het is een beetje warm maar ik weet het nog steeds niet zeker en besluit het te laten staan. Het heten is wel heel lekker. Na een uurtje stap ik weer op en loop een rondje door Chinatown, langs allerlei ambachtelijke winkeltjes, maar ook moderne westerse cafés en designer winkels. Uiteindelijk kom ik weer in het straatje met mijn hostel waar ik mijn hostel staat.
Mijn kamer is klaar dus krijg ik van de mevrouw met het rare accent een spiraal ding die antimuggen rook produceert in mijn handengedrukt. Via een binnentuin waar een klein vijvertje staat met goudvissen lopen we een trap op waar mijn kamer is gelegen. Het is kaal en erg open. De muren zijn meer een soort scheidingswandjes waardoor er wel een briesje in mijn kamer staat. In de kamer staat een bed, een stoel en een ventilator. Ik vind het perfect, voor dit geld moet je ook niet meer verwachten.
Via het Stadhuys, weer aan de andere kant van de rivier, loop ik naar mijn eerste bezienswaardigheid is St. Paul’s Church. De kerk, door Portugezen gebouwd, door Nederlanders verwaarloosd en door Engelsen vernield is omringd door graven van diezelfde Kolonisten staat op een heuvel met de naam Bukit St Paul naast het Stadhuys.
Misschien een goede tijd om een geschiedenis van Melaka te geven. Melaka (ook wel Meleka, Malacca, of Melacca) werd begin vijftienhonderd ontdekt door de Portugezen, zo’n vijftig jaar later werd het veroverd door Nederlanders waarna het na zo’n honderd vijftig jaar werd verhandeld aan de Engelsen. Het gevolg, een Aziatisch stadje met heel veel culturele invloeden van Europa, waaronder deze kerk, de graven en het door Nederlanders neergezette knal rode Stadhuys.
Aan de andere kant van de heuvel loop ik omhoog. Al snel kom ik een graf tegen van meneer Hubert van Bracht waar in het Engels zijn overlijdensdatum op staat. Uiteindelijk kom ik in de kerk, die geen dak meer heeft, overdag door een stel muzikanten word bewoond ook echt Nederlandse graven tegen. Ik zal een voorbeeld geven.
“Hier onder leght begraven Hendrick van Eeckel geboren in Amsterdam in't jaer 1619 den 20 Maert, by syn leven oppercoopman en hooft
des Nederlandsz comptoir in Ligoor overleden 7 July 1650.”
Zo kom ik er tientallen tegen, waarvan de meesten onleesbaar zijn. De kerk, tegenwoordig bestaand uit vier muren en heel veel onkruid is verder niet heel bijzonder. Aan de andere kant loop ik weer naar beneden en kom recht achter het stadhuys uit.
Inmiddels is het al later en ga ik opzoek naar iets te eten. Iets niet Aziatisch is voor de verandering de keuze. Het wordt een Lasagne en een smoothy waar ik bijna drie keer zoveel voor betaal dan als ik Maleisisch zou eten. De lasagne is niet perfect en ik brand mijn arm aan de schaal maar ja het is weer een beetje variatie. In het restaurant kom ik een Australisch stel tegen dat ook aan het rondreizen is. Ik blijf nog even zitten met ze. Ze blijken precies dezelfde route te doen als ik, maar dan andersom. Ik adviseer ze over welke eilanden te bezoeken in Thailand(Koh Tao natuurlijk) waarna zij vertellen wat ik in Singapore moet bekijken. Om half tien ga ik al terug naar mijn kamertje. Ik lees mijn boek en kom erachter dat ik het antimuggen rook spiraal dingetje toch echt nodig heb.
Ondanks dat word ik ’s ochtends om tien uur met een aantal muggenbulten wakker. Ja, wel om tien uur en ik heb heerlijk geslapen. Wel werd ik om zes uur gewekt door de stem van de Moskee om de hoek. Maar op een bepaalde manier is dat toch bijzonder en helemaal niet erg om mee te maken in zo een slaperige roes.
In een modern westers café eet ik French toast met een kopje thee. Best te doen. In mijn Lonely planet lees ik een tip over goedkope luxer busreizen naar Singapore uitgegeven door een hotel even buiten het centrum.
Het blijkt toch wat verder te zijn dan ik dacht. Als ik er eenmaal ben blijk ik aan de verkeerde kant te zijn en moet ik om het hotel heen lopen. Bij de receptie wordt mij vriendelijk verteld dat de service niet meer bestaat en dat ik terecht kan bij het busstation. Balen maar een kaartje voor die bus kan ik gerust op de dag zelf kopen. Dan maar op naar het ziekenhuis voor mijn koraal voet. Het wil wel helen, maar extreem langzaam en zodoende ben ik al door mijn pleisters heen. Gelukkig is het ziekenhuis vrijwel tegenover het hotel. Het ziet er bizar druk uit maar ik gok het er toch op. Als ze hier geen pleisters hebben, waar dan wel?
Binnen wordt ik door alle wachtende een beetje gek aangekeken. Tja, neem het ze eens kwalijk, buitenlanders zijn toch ook nooit ziek? Op een rijtje bij de ingang staan vijf mensen met een uniform en een vriendelijke glimlach maar het zijn geen dokters of zusters. Ik ben amper binnen of een van de vijf spreekt me aan met de vraag wat ik zoek. Pleisters! De mevrouw verteld me vriendelijk hoe ik bij de apotheek kom die in het gebouw zit. Ze wijst me op het bordje boven onze hoofden maar besluit uiteindelijk toch maar met me mee te lopen. Een paar meter loopt ze voor me uit en ik vind het grote onzin, maar het is natuurlijk ook wel makkelijk. Een paar minuutjes later zijn we er al en ik bedank haar heel hartelijk, maar ze is al weer weg.
De apotheek is best klein in verhouding tot het ziekenhuis. Maar gelukkig hebben ze wel pleisters. Van het welbekende merk Leukoplast nog wel. Binnen een mum van tijd ben ik weer terug. Nederland kan nog wat leren van de Maleisische ziekenzorg. Het kost me namelijk bijna niets.
Op de terug weg loop ik om Bukit St Paul heen regelrecht naar het stadhuys. Als iedereen er zo bijzonder over doet moet ik het wel zien. Het knalrode gebouw heeft maar een ingang en daar moet ik drie euro betalen. Dat ik Nederlander ben heeft helaas geen invloed. Met poppen en historische taferelen wordt duidelijk gemaakt hoe de kolonisten hier heersten. Bij een aantal historische voorwerpen, zoals wapens en gereedschap staat de naam van een Nederlandse schenker. Een bord bij de ingang maakt duidelijk dat het museum mede door de Koninklijke Ahold, ING en de gemeente Alkmaar nog bestaat.
Het museum is erg uitgebreid en vooral koel, ik verdoe er zeker twee uur en ga van de Portugezen via de Nederlanders naar de Engelsen. Bij de Nederlandse afdeling kom ik een lijst tegen van Nederlandse gouverneurs, hier en daar hebben ze een Engelse naam. Verder staat er een gigantische maquette waarin wordt laten zien hoe de Nederlanders het dorpje hebben uitgebreid tot een handelsstad.
Na deze twee uur loop ik Chinatown weer in voor een lunch bij hetzelfde restaurantje als gistermiddag. Weer krijg ik hetzelfde kommetje met vocht en weer weet ik niet wat er mee te doen. Ik laat het nogmaals staan.
Even ten oosten van het centrum ligt nog een heuvel. Bukit China. Bukit China is niet zomaar een heuvel, het is een begraafplaats. Het is ook niet zomaar een begraafplaats. Het is de grootste en oudste Chinese begraafplaats buiten China. Met meer dan twaalf duizend graven is het een gigantisch park. Omdat de begraafplaats nog in gebruik is ook zijn er graven van driehonderd jaar oud tot graven van bijwijze van gisteren. Chinezen geven veel om een graf. Hoe rijker de overledene des te groter het graf dus is.
Aan de voet van de heuvel staat een bord dat het privéterrein is maar mijn lonely planet zegt me daar niets van aan te trekken. Een echt pad loopt er niet over de heuvel, het zijn meer kleine paadjes, gemaakt door de vele voeten die er door de tijd door zijn gelopen. Langs een van deze paden kom ik een graf tegen wat zeker dertig bij vijftien meter is. Ernaast staat een graf wat onder mijn voetzool past. Ik bewonder de graven als ik plotseling iets achter me hoor. Ik kijk om me heen maar zie helemaal niets. Alleen bladeren, gras, bomen en graven. Opnieuw hoor ik geritsel en ik kijk beter. Uit een bosje komt een gigantisch beest lopen. Een veraan. Ik kijk hoe het bijna twee meter lange dier zich langzaam van me verwijderd. Geen flauw idee hebbend dat die dieren hier voorkomen loop ik ook maar de andere kant op.
Een flinke wandeling maak ik om de heuvel heen. Duizenden graven loop ik langs, allemaal in het chinees. Sommige graven zijn gloednieuw, anderen zijn bijna geheel vergaan en ook voor Chinezen onleesbaar. Uiteindelijk bereik ik het hoogste punt van de berg waar één enkel graf staat. Vanaf hier heb ik uitzicht over de gehele stad. Aan de ene kant zie ik Chinatown en Bukit St Paul met daarachter de zee. Aan de andere kant zie ik graven, zover ik kan zien zie ik graven. Hier en daar staat een boom en verder is er niets. Alleen rust.
De heuvel loop ik zo weer af. Langs een klein padje loop ik de stad weer in. Ik maak een kleine wandeling door Chinatown en koop een kaart van een klokkenmaker die ik verderop daadwerkelijk klokken zie maken. Terug in mijn hostel doe ik de rest van de dag niet veel. Ik schrijf de kaart naar mijn vriendin en lees mijn boek. ’s Avonds eet ik in een klein chinees restaurantje. De volgende keer ga ik toch liever naar het restaurant met het onbekende kommetje.
De volgende ochtend slaap weer uit. Mijn ontbijt eet ik aan het Stadhuys plein waar een rustig restaurantje aan de rivier Sungai Melaka zit.
Ik ga zitten en een meisje van pakweg tien geeft me een kaart. Ik kijk naar de muur waar een uitvergrote versie van de kaart hangt.
Voordat het meisje weg loopt zeg ik “Een geroosterd broodje Cornbeef, alsjeblieft!”
“Thai…??” zegt ze
“Nee, een geroosterd broodje Cornbeef, alsjeblieft.”
“Thai…???” Herhaalt ze op precies de zelfde manier
“Met een kopje thee” zeg ik, er van uitgaand dat Thai…?? Een geroosterd broodje Cornbeef is.
Rustig wacht ik op mijn ontbijtje terwijl ik mijn boek lees dat niet ver van het einde is.
Even later krijg ik soep van een vriendelijke mevrouw. Waarschijnlijk de moeder van het meisje.
“Dit had ik niet besteld” zeg ik zo vriendelijk mogelijk. “Ik wilde een geroosterd broodje Cornbeef.
“Oh sorry! Sorry! Sorry!” zegt ze terwijl ze bijna een paniek aanval krijgt.
“Het maakt niet uit!”zeg ik snel en verbaasd van haar reactie.
Vliegensvlug daarna krijg ik mijn broodje. Ik eet het om een of andere reden snel op en ga dan naar binnen om te betalen. Het meisje zit stil op een krukje en kijkt me aan. Ik snap de situatie niet zo goed en reken snel af. Als een koning wordt ik gedag gezegd en de deur uitgelaten.
Vandaag ben ik niet van plan veel te doen. Een wandelingetje misschien maar verder rustig lezen. Misschien wel op het strand. Ik loop naar de toeristeninformatie aan de andere kant van het plein. Daar vraag ik om informatie over stranden in de omgeving. Het enige wat de mevrouw me kan vertellen is over een klein eilandje even buiten de kust, verbonden met een brug aan het vaste land. Daar zou een strand moeten zitten. Het is redelijk ver en op loop afstand. Bovendien is er volgens mij een strand aan het vaste land, daar ga ik eerst maar eens naar kijken.
In het toeristeninformatie huisje kijk ik nog wat rond maar behalve een boot tocht naar Sumatra die ik in mijn achterhoofd houd is er niets interessants.
Lopend ga ik richting de kust. Daar moet en zal een strand liggen. Langs een woonwijk met heel veel lege huizen en onder een viaduct door loop ik tegen een betonnen muur met een hek bovenop aan. Daarachter zie ik een kleine zandvlakte aan het water. Een echt strand is het niet laat staan dat ik er in de buurt kan komen. Teleurgesteld loop ik terug.
Vlakbij zitten twee winkelcentra, een nieuwe en een gloednieuwe waar ik even heen loop. De gloednieuwe, waar ik inloop is zelfs zo nieuw dat er amper winkels in zitten, maar wel een Starbucks.
Ik drink geen koffie maar wie weet hebben ze wel wat anders te drinken. Op de kaart staan een heleboel dingen, onder andere een Frappachino. De jongen achter de kassa verteld me wat een Frappachino is. Snappen doe ik het niet maar ik waag de gok, het kost hier toch niets. Ik bestel een Mocca Frappachino. En lekker dat het is. IJs met mokka en allemaal andere dingen. Lopend door het half lege winkelcentrum geniet ik van mijn nieuwe ontdekking.
Buiten het winkelcentrum sta ik recht voor Bukit St Paul. Daar ga ik op een bankje in de schaduw zitten en lees verder in mijn boek. Het weer is heerlijk, in de schaduw tenminste. Uiteindelijk heb ik het wel weer gehad en maak mijn wandelingetje af. Honderden keren wordt ik aangesproken de fietstaxi’s die ook hier rijden. Wil ik misschien een ritje? Nee bedankt.
Plotseling wordt me een andere vraag gesteld door een fietstaxi.
“Waar kom je vandaan?” vraagt de man in een knal geel T-shirt vanuit zijn even knal gele fietstaxi.
Ik besluit te antwoorden en zeg, uit Nederland.
Hij kijkt ontzettend blij en vraagt of ik hem ooit op tv gezien heb. Ik zeg de waarheid, namelijk nee.
“Er was ooit een reisprogramma hier uit Nederland! En die gingen mij interviewen!”
“Heel mooi” antwoord ik droogjes.
Hij rijdt een stukje met me mee en praat en vraagt over van alles en nog wat. Ik vind het wel gezellig maar de man, over de zestig, heeft alweer klanten en moet weer verder.
Ik loop Chinatown weer in richting mijn hostel waar ik mijn boek uitlees. “s middags eet ik in het straatje waar mijn hostel staat. Weer een Chinees restaurantje dat alleen ’s ochtends en ’s middags open is. Er is nog een tafeltje voor me vrij en daar bestel ik een portie Chicken-rice en een Cola. De Cola krijg ik meteen. Maar het eten duurt wat langer.
Rustig zit ik te wachten als er een dure Jeep stopt voor het restaurant. Een familie stapt uit een neemt plaatst aan het laatste vrije tafeltje. De vader kijkt naar mij en begint dan tegen me te praten.
“Waar kom je vandaan? Engeland?” Vraagt hij druk
“Nederland!” Vertel ik hem
“Nedala?”
“Ja, Nederland” Zeg ik hem zijn misspraak negerend.
“Aha! Wat spreken jullie daar? Engels? Frans?”
“Nederlands, we spreken Nederlands in Nederland” Zeg ik ditmaal extra luid en duidelijk.
“Nedala?”
“Ja, Nederlands!” Zeg ik droog en bijna lachend door dit bizarre gesprek.
“Aha! Ben je een student of een toerist?”
“Toerist”
“Hoe ken je dit restaurant?” vraagt hij eindelijk geïnteresseerd.
“Ik liep toevallig langs.”
“Aha! Het is bestwel bekend en nog goedkoop ook.”
Ik knik naar hem en plotseling draait hij zich om en loopt hij naar zijn tafel.
Het eten is, als het eenmaal komt, heel erg lekker. De beste Chicken-rice van deze vakantie moet ik bijna zeggen.
Na het eten loop ik terug naar de winkelcentra. Dit maal loop ik de andere in waar het gigantisch druk is, hier ziet namelijk wel overal een winkel. Op de plattegrond zoek ik boekenwinkels op. Er zijn er twee. De eerste verkoopt alleen boeken in het Maleisisch. De tweede heeft ook Engelse boeken.
De meeste zijn onbekende thrillers. Maar is ik verder kijk vind ik ook een aantal betere bekende titels. Na bijna een half uur zoeken loop ik uiteindelijk met Animal Farm van George Orwell de deur uit. De drukte lijkt wel erger dan toen ik binnen liep. Op de terugweg loop ik hetzelfde rondje als in de ochtend. Waarna ik uiteindelijk weer bij mijn hostel terecht kom. Hier begin ik in mijn derde boek maar dat duurt niet lang. Het is namelijk al etenstijd. Ik besluit die tijd maar makkelijk te besteden en ga naar het restaurant met het kommetje. Weer laat ik het kommetje staan. Wat moet ik er mee?
Als ik uitgegeten ben is het al donker en maak ik een ommetje. In de hoofdstraat van Chinatown is een marktje. Er wordt van alles verkocht maar het ziet er niet heel spectaculair uit. Toch is het best gezellig en ik loop de markt af in noordelijke richting. Er wordt ijs verkocht, kaas, speelgoed, fluitketels, kleding en andere rommeltjes. Niets spreekt me echt aan maar toch vind ik het een leuk marktje.
Aan het einde loop ik weer terug naar het begin van de markt waar een groep mensen ergens naar staat te kijken. Ik ga er bij staan maar ik zie niets bijzonders. Alleen twee jongens die met wat speakers bezig zijn en een man in een hemdje van een jaar of vijftig. Steeds meer mensen komen kijken als de man zich begint op te warmen, geen flauw idee waarom. Uiteindelijk gaat de man vuur spuwen. De jongens assisteren hem. Heel spectaculair allemaal maar niet heel bijzonder denk ik zo.
Plotseling begint de man te bidden en met een zweep veel herrie te maken en blijkbaar zijn spieren op te warmen.
“Waar kom je vandaan?” zegt hij. En natuurlijk zegt hij het tegen mij.
“Nederland” zeg ik wat onzeker.
“Kom eens hier!”
Ik loop naar hem toe waarna hij me direct vraagt om drie kaarten uit een stapel te pakken. Mijn opdracht is de kaarten op zijn rechter oog te gooien. Leuk, denk ik bij mijzelf. Ik mik, maar drie keer komen de kaarten nog niet eens halverwege de afstand die ze moeten overbruggen. Hij lacht me uit en zegt dan dat het zijn beurt is. Het publiek lacht met hem mee en dan besef ik pas al de mensen om me heen. In het chinees maakt hij nog wat grapjes. Waarschijnlijk over mij, maar het maakt me niet uit. Ik sta waar hij me neerzet waarna hij drie kaarten de lucht in gooi. Ze verdwijnen achter de huizen. Verbaasd slik ik even waarna hij vraagt of ik bang ben.
“Ja” antwoord ik droog. Het publiek lacht.
“Ik zal je laten zien hoe je moet gooien. Welk oog wil je?”
“Uhm, links” antwoord ik. Gebaseerd op het zelfbedachte onzin idee dat ik met mijn rechter oog meer kleur kan zien.
Een van zijn assistentjes heeft inmiddels een krant gespannen. Vloeiend gooit de man een kaart door de krant heen waar een grote scheur in ontstaat.
Hij lacht weer en zegt dan “Ik ga niet op jou gooien. Hoe oud ben je?”
“Achttien!” antwoord ik trots, gezien mijn kortgeleden verjaring.
“Vind je het erg als ik je jongetje noem?”
“Nee”
“Hier zijn vier kokosnoten. Kies er een.” Zegt hij, terwijl hij mij naar een tafeltje met kokosnoten wijst.
Ik neem een voor een de kokosnoten in mijn hand. Ze zijn even zwaar en even hard. Ik kies de gene die er, voor zover een kokosnoot dat kan, het mooiste uit ziet.
“Hoe wil je het? Met de vinger of de elleboog?” Vraagt hij stomp bewegingen makend.
“Vinger!” antwoord ik enthousiast.
“Oke, probeer het maar!” zegt hij twee keer zo enthousiast.
“Dat kan ik niet…” zeg ik terwijl ik lach en op de kokosnoot klop.
“Probeer!” draagt hij me op.
Met mijn een klein aanloopje laat ik mijn vinger op de kokosnoot neerkomen waardoor hij beurs wordt. Mijn vinger, niet de kokosnoot. Het publiek lacht weer en de man ook. Hij loopt naar me toe geeft me een hand en reikt me zijn businesscard aan.
“Heb je een vriendin?” vraagt hij.
“Ja.”
“Waar is ze dan?”
“In Canada.” beantwoord ik hem
“Geen vriendin in Azië?” roept hij lachend
“Nee.” lach ik met hem mee
“Ik heb een dochter van negentien!” hij schud me de hand en lacht naar me
“Wil je met haar trouwen?” zegt hij gespeeld serieus
“Nee.” zeg ik op dezelfde toon
“Ga dan maar weer in het publiek staan.”
Weer begint de man in het Chinees te bazelen. Zijn assistenten halen flesjes met iets erin te voorschijn dat ze proberen te verkopen. Na nog veel meer Chinees gepraat begint de man zich weer te concentreren.
In het midden van zijn toneel wordt een krukje op buik hoogte met de door mij gekozen kokosnoot neergezet. Voor het krukje staan twee potjes. Het concentreren duurt lang, heel lang. Plotseling springt de man op de twee potjes en ramt als een malle zijn vinger in de kokosnoot te slaan. Wonder boven wonder lukt het hem ook nog. Kokosmelk druipt over zijn hand en uiteindelijk zit zijn vinger muurvast. Met een beitel haalt een van zijn assistenten hem uit de beknelde positie. De andere assistent reikt hem een van de flesjes die de man over zijn vinger sprenkelt. Meteen begint de man in het Chinees te schreeuwen. Ik kan wel raden wat hij zegt, “Ik heb geen pijn!”.
Wel honderd mensen halen hun portemonnee te voorschijn. Voor twintig ringgit heb je een flesje. Ik wil niet, ik geloof er niet zo in. Sommige mensen kopen twee flesjes, anderen zelfs drie. De man komt speciaal naar me toe, overhandigd me een flesje en vraagt me nog een kokosnoot uit te zoeken. Nu komen er ook andere flesjes te voorschijn. Geen idee waar dat nu voor is.
Ik kies een willekeurige kokosnoot, deze is zeker voor zijn elleboog. Als iedereen uitgekocht is pakt een van de assistenten opnieuw een krant die de krant dit keer met een zweep meerdere keren doormidden knalt. Uiteindelijk is er een strookje van vijf centimeter over. Ook dat hakt hij doormidden. De assistent heeft alle tien de vingers nog.
”Jongetje!” hoor ik de man roepen.
“Probeer jij het eens!”
Hij gaat staan met een krant in zijn handen, te ver voor mij om te raken. Ik zwiep het bezwete glibber ding heen en weer maar raak alleen maar bijna het publiek.
“Go!” roept de man
Slaan lukt voor geen meter. Ik probeer het, maar het ding komt voor geen meter vooruit. Verderop scheurt de man de krant doormidden en geeft me complimentjes. Nog twee keer probeer ik het. Maar alleen mijn eigen been komt in aanraking met het einde van de zweep en het doet pijn. De man scheurt vrolijk verder en het publiek moet natuurlijk weer lachen.
De man roept me bij zich en vraagt of ik zijn huid kan pakken op zijn arm. Ik probeer het, maar het lukt voor geen meter.
“Harder! Harder!” Moedigt hij me aan. Het lukt nog steeds niet en lachend zegt hij dat hij nu aan de beurt is. Rustig pakt hij een stukje vel van mijn bovenarm.
“Pak de kokosnoot.” Roept hij naar me en ik doe het.
“Gooi hem naar me toe, met twee handen. Voorzichtig!” zegt hij.
Ik ga klaar staan en begrijp niet hoe deze man een kokosnoot in de lucht met zijn elleboog kan doorklieven. De man is al weer een Chinees verhaal aan het vertellen dus ik wacht geduldig. Helemaal niets begrijp ik van zijn verhaal, maar dit keer blijkt het nogal serieus te zijn want niemand lacht.
Als hij klaar is telt hij af. Op nul gooi ik de kokosnoot naar hem toe en hij vangt hem perfect op. Iedereen klapt en ik lach.
“Ga weg!” roept hij naar me, waarop ik rustig mijn plek in het publiek opzoek.
Weer concentreert de man zich. En weer slaat hij heel plotseling zijn elleboog in de kokosnoot. In drie keer is het ding zo plat als een A4tje.
Het publiek applaudisseert en de lichten gaan uit. Iedereen loopt weg en ik ook. Een Nederlands meisje geeft me een complimentje. Verderop roept een Maleisische vrouw “Goed zo jongetje!
Het Nederlandse meisje vraagt van alles en moet dan opeens weer weg. Ik loop terug de markt af en sla een van de zijstraatjes in richting mijn hostel. Terug is het al redelijk laat. Na nog wat te hebben gelezen val ik in slaap.
Vandaag is de meest rustige dag van mijn reis. Na om zes uur nog eens gewekt te worden door de moskee om de hoek slaap ik heerlijk uit. De hele dag loop ik door het stadje, lees wat, eet en koop een limited edition T-shirt voor zes euro.
Het enige wat ik onderneem is het Malaysian architect museum bezoeken wat, ondanks dat het onbekend en klein is, een van de beste museums is die ik tot nu toe heb bezocht. Met name gaat het over de verschillende huisstijlen in Melaka die door de kolonisatie door de jaren erg veranderd is. Het interessantste vind ik echter de maquette en het verhaal van Putrajaya. De bestuurlijke stad van Maleisië die ongeveer vijfentwintig kilometer onder Kuala Lumpur ligt. Deze stad werd meer dan tien jaar geleden neergezet en bestaat bijna uitsluitend uit overheidsgebouwen. Kuala Lumpur was te vol voor uitbreiding van overheidsgebouwen en zo besloot men maar een administratieve stad neer te zetten. Een gepland Den Haag, om het zo maar te zeggen.
Het grootste deel bestaat uit een gigantisch brede en lange avenue met aan de kop het “witte huis” van de Maleisische premier. Langs de avenue staand de gebouwen van overheidsdepartementen. Nog steeds wordt er gebouwd aan de stad.
De rest van het museum loop ik in een uurtje uit.
De laatste ochtend in Melaka alweer en over vier dagen gaat mij vliegtuig. Mijn ontbijt haal ik in een van de moderne westerse Cafés. Mijn tas heb ik zo gepakt waardoor ik te vroeg op het busstation ben. Ik koop snel een kaartje met een busmaatschappij die er goed uitziet. Nog geen drie kwartier later ben ik onderweg naar Johor Baru.
Johor Baru, een Maleisische voorstad van Singapore, is lelijk. Heel erg lelijk. Vanuit de bus zien de wolkenkrabbers er vies en slecht onderhouden uit. Bij de douane is het ook niet veel soeps. Ik krijg mijn stempeltje en wordt dan ondervraagd door een mevrouw van het Maleisische toeristen bureau. Wat heb ik gekocht? Eten en wat kleren. Waar ben ik geweest? Georgetown, KL en Melaka. Hoelang ben ik in Maleisië geweest? God, het lijkt wel een eeuwigheid. Ook al is het maar negen dagen.
Als beloning krijg ik een koelkast magneetje met reclame voor Maleisië erop. Buiten stapt iedereen de bus weer in. Eerst mogen we nog even naar de WC. Een WC die er niet uit ziet. In een houten hutje staat een potje waar constant water overheen gesproeid wordt via een tuinslang. Na mij is een meisje aan de beurt. Respect.
Met de bus rijden we een hoop viaducten onderdoor en uiteindelijk komen we bij de brug. De brug heet officieel “The Johor-Singapore Causeway.” Wat neerkomt op Johor-Singapore dam.
Het heeft dan ook veel weg van de afsluitdijk. Een snelweg met aan beide kanten water. In Woodlands, een noordelijk deel van Singapore gaan we nog een keer door de douane. Deze douane is totaal anders dan de Maleisische. De vloer is een spiegel, evenals de pilaren. Het plafond reikt twintig meter hoog en er staat een rij. Dat laatste was er ook niet in Maleisië.
Terwijl ik in de rij sta bekijk ik aanplakbiljetten die netjes aan de pilaren hangen. Een man genaamd Mas Selamat bin Kastari. Deze man, hoor ik later, is een gezochte terrorist die een paar maanden eerder uit de gevangenis is ontsnapt. Een gebeurtenis waar Singapore zich voor doodschaamt.
De rij duurt eeuwig en eindelijk ben ik aan de beurt. Ik mag door en zo ben ik eindelijk weer bij mijn bus. Als iedereen er weer is rijden we over een snel weg door een groot bos. Uiteindelijk komt het stadshart inzicht. De weg wordt ook drukker en op een parkeerplaats worden we afgezet. In mijnhostel heb ik al een aantal hostels aangekruist. Ik ga voor de goedkoopste. Het hostel heet Prince of Whales. Ik ga opzoek maar kan de betreffende straat (Dunlop Street) niet vinden. Een aardige Indiër die stoffen verkoopt in een straatje waar alleen maar stoffen verkocht worden meld me dat de straat aan de andere kant van deze buurt is. Jammer, tijd verspilt.
Om een of andere reden kies ik een ander hostel dat dichterbij is. Ook die vind ik niet een twee drie. Maar uiteindelijk kom ik in een winkelstraatje en loop ik Sleepy Sam’s binnen. Niet het goedkoopste hostel, maar goedkoop is hier niets meer. Voor vijfentwintig Singapore Dollar, omgerekend twaalf euro per nacht mag ik in de dorm terecht. Ik wordt netjes naar mijn kamer gebracht en onderweg wordt uitgelegd waar ik kan douchen met warm water. De eerste douche met warm water.
De dorm is gigantisch, maar wel gescheiden met gordijnen waardoor er een aantal hokjes ontstaan. Elk hokje behuisd ongeveer acht bedden. Ik kies een vrij onderbed.
Het is nog geen vier uur dus ik heb nog even de tijd om mijn Singapore avontuur te beginnen. Op het kaartje van mijn lonely planet zoek ik het dichtstbijzijnde metro station dat Bugis blijkt te zijn. Voor ik daar heen loop wissel ik nog mijn overgebleven Ringgits voor Singapore Dollars. De dollars zijn gek genoeg van plastic.
Bij de paar straten die ik oversteek op weg naar het metro station wacht ik netjes op het stoplicht. Singapore staat bekend om zijn regeltjes en de strenge handhaving daarvan. Op het stoplicht staat ook uitgelegd hoe de stoplichten werken. Rood, niet lopen. Groen, lopen. Knipperend groen, niet meer lopen. Duidelijker kan het niet.
Daarnaast is het verboden om binnen vijftig meter afstand van een stoplicht niet bij het stoplicht de straat over te steken. Bij elk stoplicht staan dan ook op vijftig meter afstand aan beide zijden bordjes die het vanaf die plek verbieden over te steken.
Het klinkt allemaal wat bizar, overbodig en bureaucratisch maar ik houd er wel van. Iedereen houdt zich ook aan de regels, ondanks het ontbreken van politie.
Als ik overgestoken ben zie ik het meisje dat ik bij de wc tegenkwam op de grensovergang. Ze spreekt me aan en vraagt het gewoonlijke. Zijzelf komt uit Slowakije en is voor haar studie een halfjaar in Laos geweest. Als ik vertel dat ik uit Amsterdam kom begint ze enthousiast te vertellen over dat ze studeert aan de UvA. Op de vraag of ze Nederlands spreekt antwoordt ze beschamend dat ze denkt dat ze het verleerd is en daarom niets wil zeggen. Ik moet hard lachen maar krijg uiteindelijk geen woord Nederlands te horen.
De volgende halte, City Hall stappen we samen uit. Na even oriënteren weten we waar we zijn. Het stadhuis ligt aan een gigantisch grasveld waar cricket op gespeeld wordt. Achter het grasveld steken de wolkenkrabbers van het CBD(Central Business District) de lucht in. Het uitzicht geeft een groot gevoel voor zo’n klein staatje.
Niet lang daarna stappen we de metro weer in. Ditmaal een andere lijn die naar het noorden gaat. Ieder heeft een andere bestemming. Ik wil een boek kopen en naar Newton Circus en het meisje wil een iPod kopen. Bij de halt Orchard Road stap ik uit en neem afscheid.
Orchard Road is de winkelstraat van Singapore een paar kilometer lang, zo breed als een normale straat met winkelcentra die honderden winkels bevatten.
Mijn lonely planet tipt me een boekwinkel, ja alweer een boekwinkel. Animal Farm is niet zo dik. Het boekenwinkeltje heeft alleen maar Engelse boeken en lijkt alles te hebben. Uit het kleine plankje van Chuck Palahniuk kies Lullaby.
Via een brede weg dwars door een park loop ik richting Newton Circus. Het plein, wat eigenlijk een knooppunt is van doorgaande snelwegen boeit mij niet heel erg. Het gaat mij om het Newton Food Centre. Singapore staat van alle Zuidoost Aziatische landen toch wel het meest bekend om haar Hawker Centre. Het Newton Food Centre steekt daar volgens vele nog eens met kop en schouders bovenuit.
Als ik er aankom is het bijna zes uur. De eettentjes zijn net open en er is nog veel plaats. Ik loop een paar rondjes om een indruk te krijgen van de verschillende maaltijden. Er is Chinees, Maleis, Indiaas, Vietnamees, Indonesisch en zelfs een Griek. Deze Griek ziet er alleen niet heel Grieks uit. Ik stop bij een Indiër met een grootbord boven zijn kraampje. Er staat een pannenkoekachtig iets op met ei en varkensvlees. Ik vraag de man wat het is en hij noemt het Murtabak. Nieuwsgierig bestel ik een medium portie. Een paar kraampjes verderop bestel ik een cola. Tien minuutjes later zit ik aan een van de tafeltjes in de schaduw te eten. De Murtabak is heerlijk. Echte een aanrader. Het cola blikje dat ik in mijn hand heb ziet er anders uit dan anders. Met grote letters staat er “Do not Litter”, maak geen rotzooi. Ik moet in mezelf lachen en bedenk dan dat Singapore inderdaad ontzettend schoon is. Sinds ik hier ben heb ik nergens iets vies gezien. Geen autobanden langs de weg, geen blikjes op straat en geen kauwgom. Dat laatste is ook niet zo gek gezien dat kauwgom verboden is in Singapore. Een boete is er niet maar het wordt bij bezit of import wel afgepakt.
Dit zijn een aantal typische Singapore dingen. Het land, dat twee honderd jaar geleden werd gekolonialiseerd door de held van Singapore, Raffles, wordt min of meer lief onderdrukt door haar regering. Deze Raffles is het vader figuur van Singapore. Zoals Willem van Oranje dat voor Nederland is maar dan alsof hij nog leeft.
Na de tweede wereldoorlog werd Singapore onafhankelijk van Groot Brittannië waarop de grote economische groei begon. Geen stad ter wereld is in vijftig jaar zo snel gegroeid.
Door deze groei is de Singaporese overheid blijkbaar bang dat haar bevolking het allemaal niet meer kan bevatten. Vandaar dat er heel veel regeltjes zijn die streng gehandhaafd worden. Daarnaast lijkt de overheid de bevolking ook licht te propaganderen. In de metro hangen posters met waarschuwingen over het Dengu virus dat verspreid wordt door muggen. Op de poster staat de tekst “This is your Death”. Erg aardig klinkt het niet als je iemand met de dood bedreigt.
Na mijn avond eten begint het al te schemeren en met de metro ga ik weer terug naar Cricket veld. De torens maken ’s nachts een mooi plaatje. Ik loop in de richting van het CBD en passeer het gebouw van de Cricketclub. Geheel in Britse stijl met een portier en tientallen luxe auto’s. Aan de andere kant bij het CBD loopt een weg langs het water genaamd de Quay. Ik loop hem half op en vind het heerlijk koel. Ondanks dat ik nu dichter bij de evenaar zit dan in Bangkok merk ik geen verschil in warmte.
Terug bij het stadhuis stap ik weer op de metro naar het hostel.
In mijn bed denk ik na over Singapore. Het is een Aziatische stad. Het soort steden waar ik heel erg van houd. Goed eten, een overweldigende drukte en anonimiteit. Daarnaast is het ook een westerse stad met heel veel Europese gebruiken. Bovendien vind ik het heerlijk dat alles schoon en geordend is. Nu al is Singapore mijn favoriete plek van mijn bezochte steden.
Boven mij kraakt het bed waardoor het lijkt dat het bijna door zakt. De meneer boven me doet het licht uit. Ik ook.
’s Ochtends ga ik in tegenstelling tot in Melaka vroeg op. Tegelijk met mij staan meerdere mensen op, waaronder een man die netjes zijn pak aantrekt en blijkbaar in het CBD werkt. Ontbijten doe ik in het hoste. De keuze: Yoghurt met stukken fruit of brood met jam. Ik ga voor het fruit en eet dingen die ik nog nooit gezien heb. Witte vruchten met zwarte stippen, raar smakende sinasappels maar gelukkig ook een gewone appel.
Door de vroegte is het nog niet te warm en ga op pad naar een museum. Onder andere om de warmte niet tegen te hoeven komen maar ook uit interesse. Aan de andere kant van het water van het CBD ligt het Asian Civilisation museum. Als een van de eersten loop ik naar binnen. Het museum ziet er net als Singapore super schoon uit. Ik besteed er ruim twee uur. Het geheel gaat vooral over Zuidoost Azië. Waar komt rijst oorspronkelijk vandaan? Hoe is Azië gekolonialiseerd? Wat was er voor die kolonisatie?
Tot slot gaat het over de cultuur van Singapore. De oorspronkelijke bewoners van het staatje bestaan allang niet meer. Het grootste deel van de bevolking bestaat uit Chinezen, Maleisiers, indiers en Engelsen. Hier en daar loopt ook een Europeaan, Australiër of Amerikaan rond. Dit maakt Singapore dus een van de meest multiculturele landen ter wereld.
Buiten het museum loop ik een rondje door het gebied achter het cricketveld. Hoge woontorens, kantoorgebouwen en luxe huizen maken de straten. Langs een monument voor de tweedewereld oorlog loop ik een winkel centrum in dat dicht is. Ten zuiden hiervan kom ik de Singapore Flyer tegen. Dit reuzenrad van honderd vijfenzestig meter hoog kost je een uur en een fortuin om rond te gaan. Deze overwegingen besluiten me door te lopen in westelijke richting. Niet helemaal zeker van waar en waarom ik hier ben kom ik uiteindelijk weer uit niet ver van het Cricketveld. Alleen een snelweg scheidt mij ervan. Aan het water, genaamd Marina Bay zie ik rechts het CBD omhoog rijzen. Links zie ik een andere snelweg en een hoop hijskranen. Ik neem een paar foto’s van de Skyline en steek de snelweg onderdoor via het cricketveld naar het CBD. Op Raffle’s square stop ik even. Het kleine pleintje wordt omringd door gigantische wolken krabbers en is vooral bevolkt door mensen in pakken en schoonmakers. Het CBD loopt geleidelijk over in Chinatown. Ik koop een Frappachino en loop vrolijk Chinatown in waar veel kleine winkeltjes, restaurantjes en een tempel zitten.
Aan Maxwell road staat een groot gebouw waar een hoop mensen in en uit lopen. Aan de buitenkant staat een groot bord waarop Urban Redevelopment Authority staat. Stadsplanning dus. Binnen staan grote borden met de toekomstige plannen van Singapore. In het midden staat een gigantische maquette van zeker twintig bij dertig meter. Het centrum van Singapore wordt weergegeven, elk gebouw tot in detail. Alleen is het niet het huidige Singapore, maar het Singapore over een aantal jaar. Ten zuiden van het CBD ligt het land waar ik zojuist zoveel hijskranen zeg. Het blijkt opgespoten te zijn, uiteraard door Nederlanders. Het land dat is ontstaan heet Marina Bay en wordt onder andere een uitbreiding van het CBD en een sport park. De baai zelf wordt ook een watersport park. De maquette verandert bijna maandelijks mee met de plannen voor Singapore.
Hier houd ik van. Dan komen wij met onze suffe Zuidas die altijd afgekeurd wordt.
In mijn lonely planet lees ik over een Hawker Center net om de hoek. Ik besluit mijn maag te vullen en loop wel tien keer de eetgelegenheid op en af. Ik kan gewoon niet kiezen. Uiteindelijk neem ik naast mannen in pak plaats met een bordje Chicken-rice. Het is erg druk maar als ik uitgegeten ben lijkt bijna iedereen weer verdwenen.
Met de metro rijd ik naar een pretpark. Althans zo noem ik het later pas. Sentosa doet me namelijk erg denken aan de Efteling. Van de metro stap ik in de bus. Met de bus rijd ik over een brug naar het eiland toe waar hij uiteindelijk stop vlakbij het strand. Het strand is echter een opgespoten zandbak aan het water in de vorm van ronde inhammen. Zo’n twintig meter uit de kust liggen op een rijtje netjes opgespoten neppen eilanden met daarachter de openzee. Deze zee wordt bevaren door honderden als het geen duizenden schepen zijn. Olietankers, vrachtschepen, oorlogsschepen en waar je nog meer mee kan varen. Even ten noord oosten van Sentosa ligt namelijk de grootste haven ter wereld. Jawel, die van Singapore. Deze haven is inmiddels bijna drie keer zo groot als die van Rotterdam. Het aantal schepen is dus niet meer te tellen.
Stom genoeg ben ik mijn zwembroek vergeten dus plaats ik mezelf onder een palmboom en lees half in de schaduw in mijn boek. Als het een half uur later begint te regenen. Neem ik net als de andere strandgangers plaats onder het speciale regenafdakje.
Tien minuten later besluit ik via een loopbrug naar een van de eilandjes te lopen. Het eilandje bestaat uit een strand, een stenen rand en een plantenboel waar niet door heen te lopen is. Het strand is daarmee leuk geweest.
Een stukje terug richting het busstation gaat een paadje een berg op. Eerst via een trap, daarna met een wandelpad langs een fontein. Zowel in de trap als het pad zitten luidsprekers verstopt waarmee het Efteling gevoel naar boven komt. Hier zijn het alleen geen vrolijke sprookjes liedjes, maar reclame voor Sentosa. Met Amerikaanse stemmen vertelen een man en een vrouw over het geweldige eiland, met haar schoonheid, relaxedheid, golfbanen en hotels. Ik vind het geweldig maar ik ben al op Sentosa en heb geen cent te makken.
Aan het einde van het wandelpad staat een mangemaakte berg, enkel bereikbaar door, je raad het al: roltrappen. Wat wil je nog meer als je een wandeling maakt? Boven op de berg zit een observatie toren in het hoofd van een leeuw. Deze leeuw is het symbool van Singapore en heeft als onderlichaam een vissenvin. Logischerwijze heet het dier dan ook Merlion en is als nationaal Symbool overal in Singapore te vinden. Zo ook hier op Sentosa.
Ik sta prima op de berg en heb ook een prachtig uitzicht. In mijn gezichtsveld licht de haven van Singapore, daar achter van het CBD en Marinabay. Aan de horizon denk ik Johor Baru te zien liggen. Een paar foto’s leggen mijn herinneringen vast en via de roltrap, het wandelpad en de trap neem ik weer afscheid van dit te commerciële paradijs. Met de metro ga ik terug naar mijn hostel waar ik mijn weblog schrijf en mail lees. Op het terrasje lees ik wat in mijn boek als mijn maag alweer begint te knorren. Diep van binnen heb ik ’s middags al besloten om in het Lau Pa Sat Centre te eten gelegen in hartje CBD. Het is amper half zeven en dus is er ook bijna niemand. Ondanks de vroegte eet ik erg uitgebreid. Rijst, kip, zoetzuursaus, ei en tofu. Dit Hawker Centre ziet er anders uit dan de rest. Misschien wel omdat het in het CBD ligt. Alle kraampjes vormen met een viertal kleine rondekioskjes. Daaroverheen staat een groot puntdak en verspreid in het gangpad staan tafels, stoelen en bankjes. Alles is spier wit. Als ik uitgegeten ben, dat erg lang duurt loop ik voor de tweede keer die dag een rondje door Chinatown. Nu ga ik een groot winkelcentrum in. Een aantal winkels is nog open maar veel interessants verkopen ze niet. Bij de uitgang staat wel een Starbucks.
Met mijn Frappachino loop ik naar het puntje van het CBD, een plek waar ik gisteren ook al was. De Quay. Dit kleine stukje Chinatown is afgescheiden door de torens van het CBD. Het enige wat men hier kan doen is eten. Restaurantjes met kaarten en serveersters die je naar binnen proberen te lokken. Serveerders die je met kreeften naar binnen proberen te lokken en terrasjes.
Als laatste op de rij zit een Irish Pub. Totaal overmeesterd door Engelsen.
Via het Cricket veld loop ik naar het Metro station. De metro is rustig en voor het eerst lees ik bordjes. Alles staat in het Engels, Maleisisch, Chinees en Tamil. De vier officiële talen van Singapore. Een van de bordjes verbied het eten en drinken, roken, brandbaren goederen en wonderlijk genoeg in het speciaal Durians. Durians, een fruitsoort, wordt extra voor gewaarschuwd. Eigenlijk is dat niet eens zo gek. De vruchten van dertig centimeter groot en vaak wel drie kilo zijn erg stekelig. Bij plotseling remmen van de metro wil je zo’n ding niet in je gezicht hebben.
Op een beeldscherm kijk ik naar een waarschuwingsfilmpje voor Terrorisme. Amateuristisch wordt na gespeeld hoe een jongeman met een pet een tas neerlegt in de metro en hem zogenaamd vergeet. Nog Amateuristischer en tot mijn verbazing zie ik even later de metro ontploffen.
Terug in het hostel doe ik om elf uurmijn lichtje uit.
Op mijn een na laatste dag in Singapore begin ik weer met een museum. Dit maar het Singapore Art Museum. Waarom ik voor dit museum kies is mijzelf ook onduidelijk maar in mijn lonely planet en op internet staat het hoog aangeschreven als een “must-see” als je in Singapore bent.
Momenteel is er een tentoonstelling over Alain Fleischer, een Franse fotograaf. Door mijn interesse van fotografie vind ik het interessant, ook al is het niet mijn smaak. Naast deze tentoonstelling is er ook een afdeling met moderne kunst, iets wat helemaal niet mijn smaak is. Ik loop er dan ook snel doorheen.
Het Asian Civilisation Museum was interessanter, mede daardoor ga ik al vroeg door naar Orchard road. De grootste winkelstraat van Singapore. Ik begin bij het begin van de straat en loop zo richting de grote winkelcentra op de kruising met Scotts road. In een Carrefour supermarkt koop ik een pak Nederlandse koekjes genaamd Koeken met Chocoladesmaak en ik ga op weg.
Het verschil tussen de winkelcentra is gigantisch. De ene is schoon en heeft de duurste merken. De ander heeft lekkage stort bijna in en verkoopt alleen maatpakken. Ik ga niet veel winkels in, het is druk en ik ben toch niet specifiek opzoek naar iets. Bij een winkel met designer shirts koop ik wel een T-shirtje. De duurste tot nu toe, dertig Singapore Dollar. Op de hoek van Scotts road neem ik plaats bij een Starbucks. Ik vraag uiteraard om een Frappachino terwijl ik lekker naar alle drukte kijk. De kruising met vierbaans wegen is over vol. Auto’s staan vast, toeteren en schreeuwen maar botsen niet. Als het voetgangersstoplicht op groen gaat wordt de weg overspoeld door honderden mensen. Toch is alles georganiseerd.
Een hele tijd zit ik langs het kruispunt, als het tegen lunchtijd loopt ga ik op weg naar Newton Circus. Met de metro ben ik er binnen drie minuten. Ik eet opnieuw Murtabak.
Aan het einde van de middag ga ik terug naar het hostel waar ik weer mijn mail lees en mijn weblog schrijf. Op het terras zit ik rustig in de schaduw. Deze stad is prachtig, maar je moet niet te veel doen. Na Melaka is het nogal overweldigend, vandaar dat ik het rustiger aan doe.
’s Avonds loop ik naar een van de grootste Hawker Centres in Singapore. Het Tekka Centre ligt in Little India langs Sungai road. Teminste, volgens mijn Lonely Planet. Een groot bord deelt me mee dat het Tekka Centre is verhuisd naar het westen van Singapore wegens verbouwing. Jammer, dan maar ergens anders heen.
Doelloos loop ik Little India verder in. Ik kom langs Dunlop street waar mijn eerste hostel keuze in zit en andere straatjes. Veel restaurantjes gaan net open maar hebben allemaal geen maaltijden waar ik trek in heb. Wel is het een gezellige beurt met veel toeristen en alleen maar Indiërs. Daarmee zijn de winkeltjes vooral stoffen, tapijten en maatpak zaken. Geen van drieën heb ik momenteel nodig dus loop ik weer richting mijn hostel.
Op de heenweg zag ik iets dat veel op een Hawker Centre leek. Het ligt ergens achter een grote toren dat deels een winkelcentrum is. Via het winkelcentrum probeer ik er te komen. De winkels zijn dicht, wel zie ik een klein hoekje waar een minuscuul Hawker Centretje zit. Het bestaat uit drie eetkraampjes.
Ik bestel een cola en een portie kip saté. De mevrouw zegt iets in het chinees tegen me en uiteraard begrijp ik voor geen meter wat ze bedoelt. Uitgerekend in Singapore kom ik voor het eerst sinds mijn reis in de knoei met de taal. Als de mevrouw het eindelijk in gabaren taal uitlegt begrijp ik dat ik het drinken ergens anders moet kopen. Dan zie ik pas het drinkkraampje.
Het eten is heel erg goed. Blijkbaar komen er nooit toeristen want de mevrouw en haar familie kijken me iedere minuut aan. Op de tv kijk ik naar een soap. De Singaporese variant van Goede tijden Slechte tijden in het Maleis. Als ik uitgegeten ben loop ik het winkelcentrum uit. Dan pas kom ik het Hawker Centre tegen waar ik in eerste instantie naar opzoek was. Het is druk rond de ongeveer vijftig kraampjes. Bij een drinkkraam koop ik als toetje een Sugarcane drankje. Het bestaat deels uit het sap van suikerriet en deels uit water. Al meerdere keren heb ik het zien staan en was er best nieuwsgierig naar. Het blijkt een aparte smaak te hebben. Wat bitter maar niet zo zoet. De groene kleur maakt het wat gek en uiteindelijk besluit ik dat het niet voor herhaling vatbaar is.
In mijn hostel ga ik vroeg slapen. Boven mij heeft inmiddels iemand anders zich geplaatst. Voor mij is het de laatste nacht.
Zeventien juli 2008. Ik sta niet heel vroeg op maar pak wel gelijk mijn tas in. Deze mag ik van de hostess achterin laten staan. Zo begin ik aan de laatste dag van mijn reis.
Via de Metro reis ik naar Orchard road. Ik kan het niet laten een haal voor de laatste keer een Frappachino bij Starbucks waarna ik op pad ga voor een lange wandeling.
Aan Orchard road liggen de Singapore Botanic Gardens. Dit park bijna anderhalf keer zo groot als het Vondelpark en ligt net als het Vondelpark in de rijke buurt van Amsterdam. Na drie keer verkeerd te zijn gelopen sta ik eindelijk op Holland road bij de ingang van de Botanic Gardens. Ik voel me thuis in het park. Het is groot en heel erg goed onderhouden. Veel beter dan het Vondelpark en heeft daardoor een betere uitstraling. Bij Swan Lake zie ik geen enkele zwaan. Wel zwemmen er een tiental schildpadden in het meertje. Bij Palm Valley ligt prachtig gras met hier en daar een palmboom. Aan het einde staat een symfonie gebouwtje aan het water.
Ik zet voet naar de National Orchid Garden. Deze tuin behuisd meer dan duizend orchideeën. De toegang is vier Singapore Dollar maar het is mijn laatste dag dus ik heb het er voorover. Op een boomstammetje wissel ik de lenzen van mijn camera. Een lens rolt er per ongeluk af. Shit! Hij valt hard op de grond maar gelukkig is het glas niet beschadigd. Ik probeer hem op mijn camera maar hij focust niet meer. Stom, nu moet ik altijd handmatig focussen.
De tuin heeft paden die door elkaar lopen, dus een logische route is er niet. De orchideeën zijn heel erg verschillend. Sommige heel saai, anderen heel raar en weer anderen heel mooi. Het is hier drukker in het park en ondanks mijn kapotte lens maak ik toch een paar foto’s.
Aan het einde van de tuin staat een grote kas. De kas brengt de temperatuur omlaag voor orchideeën die uit een lager klimaat komen. Door alle stoom zie ik niet veel en de orchideeën die ik zie zijn niet erg mooi. Buitengekomen staat een hele rij van de nationale bloem van Singapore. De Vanda Miss Joaquim. De bloem zal vast heel mooi zijn, maar dit rijtje ziet er niet uit.
Verderop het park in kom ik een bord met de kaart erop tegen. Erg veel paden zijn er niet, wel een aantal openvelden. Via de paden probeer ik naar de openvelden aan de noordkant te komen. Vijf keer loop ik een rondje en uiteindelijk ben ik goed op weg.
De openvelden bestaan uit prachtig gekort groen gras met hier en daar een bosje. Waarom kunnen wij dit in Nederland niet, bedenk ik bij mezelf. Elke malloot maakt het weer kapot en als dat niet gebeurd wordt het niet onderhouden.
Bijna een uur later ben ik aan het einde van het park. Ik zoek in mijn lonely planet een locatie om te eten en een kwartier later sta ik op het Adams road foodcourt. Het wat kleine Hawker Centre is totaal niet toeristisch. Er zijn dan ook vooral mensen uit de buurt en kantoorlieden. De man waar ik verse Ice Tea bij bestel vraag geïnteresseerd waar ik vandaan kom en wanneer ik weg ga. Daar bovenop vraagt hij hoe ik hier terecht ben gekomen.
Het eten is beter dan op het toeristische Newton Circus maar ook een stuk verder. De weg waar dit Hawker Centre aan ligt loopt wel naar het Newton Circus. Deze weg, genaamd Dunearn road heeft in het midden een betonnen rivier lopen. Misschien is het wel een riool, maar vandaag zit er helemaal niets in. Ik loop de weg af en kom langs honderden vrijstaande huizen die rij na rij allemaal anders zijn. Halverwege steek ik over bij een stoplicht. Hierna zijn het geen huizen meer maar saaie flats. Eindelijk kom ik bij Newton Circus waar ik mezelf beloon met een Ice Tea. De metro brengt me regelrecht naar het Hostel waar ik mijn tas ophaal en op weg ga naar het vliegveld. Tien haltes, een overstap en driekwartier later ben ik op Changi Airport. In het Metro station ga ik opzoek naar een loketje waar in mijn metrokaart in kan ruilen. Het loketje is gesloten, de lunch pauze duurt blijkbaar tot vier uur. Jammer, dat laatste geld kon ik wel gebruiken.
Met drie roltrappen ga ik omhoog. Voor me stapt een schoonmaker op. Het lapje zet hij tegen de rand van de roltrap en zo boent hij het prachtig schoon. Als we boven zijn neemt hij de trap weer naar beneden.
Op een groot bord zoek ik mijn vlucht naar Melbourne op, terminal ???????????????????????. Een monorail brengt me erheen. Het blijkt niet ver te zijn, maar dit waren de enige bordjes. Bovendien is het niet lekker lopen met mijn bepakking.
Ik ga opzoek naar de Qantas balie. Natuurlijk is het de enige balie met een rij maar ik sluit geduldig aan. Mijn paspoort overhandig ik aan de mevrouw, ze geeft mijn boardingpass en ik geef mijn tas. Omdat er verder niets te doen is ga ik de douane maar door.
Drie uur heb ik te verslijten, natuurlijk ben ik veels te vroeg. Maar dat is nog altijd beter dan te laat. Het eten is hier duur en omdat ik amper nog geld heb eet ik bij de Burger King. Mijn laatste geld geef ik uit aan een hamburger en een cola. Leuk om zo je reis door Zuidoost Azië af te sluiten.
Ik internet nog wat en eindelijk begeef ik me naar de Gate. Natuurlijk wachten we daar weer. Detectiepoortje, nogmaals douane, paspoort controle en we mogen aanboord. Binnen word ik vriendelijk gegroet door een stewardess die me het gangpad door leidt. Ik loop direct door de Business Class door naar de Economy Class. Daar zoek ik mijn stoel op rij nummer ??????????. Alleen Economy Class begint pas bij rij twintig. Verbaasd loop ik terug naar de Business Class. Jawel, daar staat mijn stoel, rij ????????????????? stoel A bij het raam met heel veel beenruimte. Verbaasd kijk ik om me heen en ga maar zitten. Met mijn tas nog om vraagt een langslopende stewardes: “Champagne of sinasappelsap?”
“Uhm”
Grote glimlach.
“Zit ik wel in de goede stoel?” en ik geef haar mijn boardingpass.
“Ja zeker” met een glimlach die steeds groter wordt
“Sinasappelsap dan graag” glimlach ik nu ook.
Een keuze waar ik spijt van heb.
Langzaam aan gaan meer mensen om me heen zitten. Naast me plaatst en jonge Australiër zich naast me. Hij is het duidelijk wel gewend.
Maar als ik ’s nachts naar de wc ga voel ik me toch wel verheven boven het “gewone volk” in de Economy class. Vooral omdat ik evenveel heb betaald.
???????? uur later land het vliegtuig op Melbourne International. Ik stap uit en ga het tweede deel van mijn vakantie te gemoed met mijn ouders, zus, familie, motorongelukken, regen, kou, warmte, zee en zon.
Thursday, February 26, 2009
Deel 2 van mijn verhaal: versie 0.1
Vandaag is het 1 Juli 2008 en word ik achttien jaar. Het belooft niet echt een geweldige verjaardag te worden maar dat haal ik een andere keer nog wel in. De dag begint al vroeg want om half vijf mag ik al opstaan. Omdat het zo vroeg is en ik gisteren al gedoucht heb besluit ik dat niet nog eens te doen. Voor mij is dat echt een bijzonderheid want zonder douche word ik meestal niet zo wakker. Ontbijt sla ik ook over en zo ben ik een kwartier te vroeg voor het busje dat me oppikt. Uiteindelijk ga ik toch maar naar beneden en blijk ik alsnog te laat te zijn.
Van het busje ga ik over naar de een bus en als iedereen zit(en staat wegens plaats gebrek) vertrekken we naar de boot toe. De busreis duurt veel langer dan ik had gedacht en na een half uur mogen we eindelijk uitstappen.
Ik krijg roze stickers voor mijn bepakking en mezelf met “Koh Tao” erop. Na twee en een half uur varen en naar de baggerfilm “Nothing to loose”gekeken te hebben. Meren we aan in Koh Nang Yuan. Dit paradijsje bestaat uit drie eilanden en is samen nog geen vierkante kilometer groot. Ik mag blijven zitten, ik hoef er bij de volgende halte pas uit. Een half uurtje later meren we aan op Koh Tao.
Koh Tao(Schildpad Eiland), een van de minst toeristische eilanden van Thailand is ongeveer twintig vierkante kilometer en bestaat uit een weg van noord naar zuid, die maar half geasfalteerd is. Het eiland leeft van de duik toeristen en is genoemd naar de schildpadden die hier vroeger woonden. Nu niet meer door alle mensen.
Het blijkt toch wat toeristischer te zijn dan ik had verwacht. Meteen wordt ik al overspoelt door Taxi chauffeurs en hostel/hotel eigenaren. Ik besluit maar in zee te gaan met een van de taxi chauffeurs. Een hostel had ik al gevonden, een privé bungalow zelfs. Na wat onderhandelen(wat ik verlies natuurlijk) brengt de chauffeur me naar Sun Lord bungalows.
Voor nog geen zes euro per nacht mag ik hier logeren.
Ik krijg een eigen houten blokhuthuisje met uitzicht op zee. In het huisje heb ik voor de eerste en meteen ook laatste keer een privé badkamertje, met douche, wc en wastafel.
Gevaarlijk dicht naast de douche hangt een niet zo goed afgewerkte gloeilamp, waardoor ik de douchekop maar meteen de andere kant op draai.
Over het viezige oude dunne matras hangt een net zo smerige klamboe. Ik besluit er maar doorheen te kijken en ga buiten een wandelingetje maken. Ik loop het steile pad terug om hoog en loop de geasfalteerde weg af opzoek naar een strand.
Omdat het eiland zo klein is zijn er eigenlijk geen verkeersregels, evenmin als politie. Om de zoveel minuten wordt ik dan ook ingehaald door motoren, auto’s en scooters die vijftig kilometer per uur of harder rijden op de bochtige wegen. In mijn lonely planet lees ik dat dit soort eilanden er om bekend staan dat ze zo hard rijden met alles waar mee te rijden valt. Ook als men er geen rijbewijs voor heeft.
Na een tijdje te hebben gelopen besluit ik dat ik me ook maar aan een voertuig moet verbinden.
Terug bij mijn hostel vraag ik de hostess om een scooter. Omdat ik nog nooit op een scooter heb gereden begin ik daar eerst maar mee en laat ik de motor nog maar even staan. Ik krijg een mooi dingetje met bijna geen benzine. Een dag lang huur ik het ding voor nog geen zes euro. De benzine kost me vijf euro en zo kan ik de hele dag vooruit.
Ik rijd de steile heuvel weer op en aan het einde wil ik de bocht afslaan maar ik val lekker om. Ik heb niks en zo te zien de scooter ook niets dus ik rijd lekker door. Aan de andere kant van het eiland ligt een klein strandje wat ik graag wil bezoeken. Via een modderig pad met grote kuilen kom ik aan bij het water.
Na een paar uur ga ik opzoek naar een duikschool. Want ook dat wil ik nog eens in mijn leven doen en als ik hier toch ben…
Op het strand dichts bij mijn bungalowtje zit één duikschool. Open Water Diver, hier kan ik zowel op z’n Paddy als op zijn SSI leren duiken. Dit zegt me helemaal niets maar ik vindt het allemaal best. Nog die zelfde middag begin ik mijn vier daagse duikcursus. Ik wordt ingedeeld in een groepje van vier. Twee vrouwen, Israelisch en Canadees, een Belgische man en ik. Onze instructeur heet Ricky uit Ierland.
We zitten in dit groepje omdat wij allemaal voor SSI hebben gekozen. Waarom? Omdat we allemaal de goedkoopste duikcursus wilden.
Een middag lang kijken we video’s met duikinstructies. Het gaat over gevaren, vissen, het weer, druk, bepaalde gassen en wat al niet nog meer. Aan het einde van de lange middag eet ik en ga ik terug naar mijn Bungalowtje. De scooter sleutels lever ik weer in bij de hostess en ik ga slapen. Na een half uurtje klopt de hostess druk in de war op mijn bungalow deur. Ik snap er geen bal van en ik loop met haar mee.
We lopen voorbij haar huis naar de scooters. Daar staat haar zoon die op de scooter die ik die dag leende wijst. Er zit schade op. Shit.
Ik viel wel om, maar naar mijn idee geeft dat niet zo veel schade. Ik kijk goed waar de schade zit en geef uiteindelijk toe dat, dat mijn schuld was. Het moet haast wel. Verder mist er ook nog iets op het spatbord maar dat kan niet mijn schuld zijn zeg ik.
Helaas kan ik dat niet bewijzen en ik moet betalen. Ja, het was over de tachtig euro. Dan maar wat minder luxe eten(wat ik toch al niet deed).
De volgende dag mag ik weer redelijk vroeg uit mijn viezige bed. Lopend ga ik naar de Duikschool. Lopend, want ik wil niet nog eens zo veel geld betalen voor een scooter en als training voor mezelf. Thuis in Amsterdam doe ik namelijk alles, maar dan ook alles op de fiets. Naar de Albert Heijn om de hoek ga ik op de fiets, naar school, naar het station naar mijn werk, alles. Daarom ben ik niet gewend te lopen. Zo slecht is dat ook weer niet, want ik fiets ook alles en ga bijna nooit met het openbaar vervoer. Toch moet ik nu lopen, want op een andere manier kan het niet.
Na twee kilometer lopen en tussendoor French Toast te hebben ontbeten ben ik er. De ochtend verloopt het zelfde als de vorige dag, tv kijken en vragen beantwoorden. Maar ’s middag mogen we eindelijk onze duikuitrusting uitkiezen, aantrekken en gaan we met een boot naar The Twins naast Koh Nang Yuan. Twins is een van de vele duikplekken rond Koh Tao. Waarom we naar Twins gaan? Omdat het de makkelijkste duikplek is. Hij blijkt ook niet meer te zijn dan een strandje met heel langzaam aflopende bodem. We doen standaard oefeningetjes en aan het einde van de dag zijn we op een maximale diepte van vijf meter geweest. Op de boot is gratis thee, koffie, water en koekjes. Na ons helemaal vol gestopt te hebben en wat over vissen te hebben geleerd gaan we weer richting het eiland. Met zijn vieren vijven zitten we nog even na te praten als het gesprek op Sharm-el-sheik(Egypte) valt. Remco(de Belg) verteld dat daar een aantal jaar geleden een terroristische aanslag was gepleegd in een druk uitgaansdeel van de stad naast een café. De broer van Remco gaf toen duikles in Sharm-el- Sheikh. Het café was zijn favoriete plek om iets te gaan drinken, maar door de drukte was er geen plek. Met zijn vrienden ging hij aan de overkant van het plein wachten tot het rustiger zou worden. Net toen ze weer naar buiten liepen explodeerde het favoriete café en de broer van Remco overleeft door pech een aanslag.
Plotseling begint het Israëlische meisje, Hela, heel verbaasd te praten. Hela zat voor dat ze ging reizen in de Israëlische luchtmacht. Het was Chanoeka dus was zij ingesteld als vervangend verantwoordelijke voor de vliegtuigen. Die dag was de aanslag in Sharm-el-Sheikh en leidde zij de vliegtuigen de lucht in voor Medische hulp. Is dat even toevallig?
Terwijl Hela dit verteld valt me op hoe enthousiast ze dat doet en veel nadruk legt op de Medische hulp die ze gaven aan Egypte. Ik ga verder met haar in gesprek en zo komen we op het reizen. In Israel is iedereen verplicht het leger in te gaan, zowel man als vrouw. Deze periode duurt vijf jaar of langer. Daarna is het heel gebruikelijk om te gaan reizen. Ze is nu een jaar onderweg. Vanaf New Delhi in India via Nepal, China, Laos, Vietnam, Cambodja kwam ze hier in Thailand. Ik vertel over mijn reis en vraag of ze hierna ook door gaat naar Maleisië.
“No I can’t” zegt ze
“Why not?” vraag ik verbaasd. “Are you out of money?”
“No, No, its because i’m Israëli”’
“So?”
“Well, Malaysia is a Muslim country and apperantly they hate us for what we do in the middle-east so the ban us and everyone with an Israeli stamp in their passport.”
“Is it just Malaysia that does that?”vraag ik verbaasd verder
“No, Indonesia aswell. But Pakistan, Egypt and all the other middle-east countries don’t bann us. It’s just alot harder to get in.”
’s Avonds na het eten loop ik ook weer terug. Hoe toeristisch het minuscule eilandje ook is, verlichting en een verharde weg is hier niet aanwezig. Maar er is toch amper verkeer dus ik hoef me nergens druk om te maken.
Overal blaffen honden mij na en twee komen naar me toe. Ik loop sneller door en gelukkig helpt het. Ze volgen me niet. Bij mijn bungalowtje aangekomen is het nog maar negen uur. Ik wil nog even een stukje lezen voordat ik ga slapen. Met een zaklamp in de ene hand en het boek in de andere ga ik op mijn balkonnetje zitten. Overal hoor ik beestjes vliegen, kruipen, piepen en andere geluidjes maken. Ik schijn naar boven en op het afdakje zit een klein salamandertje. Hoe klein het beestje dan ook is, ik kan me niet concentreren met dat beest. Net voor ik wil opstaan, vliegt er een vlinder, vogel of vleermuis ter grootte van mijn gezicht geruisloos voorbij. Ik sprint mijn bungalow binnen, doe het buiten licht uit en de deur goed op slot.
De volgende dag is het eindelijk zover, ik mag echt duiken. Met een klein bootje gaan we naar een groot bootje en met dat grote bootje naar de duiklocatie. Met het duikgroepje lopen we door het water naar het kleine bootje. Niemand nam zijn slippers mee. En iedereen heeft daar spijt van. Het lijkt wel glas waar we in lopen. Door het heldere water zie ik op de bodem bergen dood en knoert hard koraal liggen dat wondjes in mijn voet maakt.
Aan de andere kant van Koh Nang Yuan liggen The Japanese Gardens die, net als The Twins een makkelijke duikplek is, maar nu met koraal en vissen. ’s Middags gaan we terug aan land om te eten en daarna naar White Rock. Dit is weer een vergelijkbare duikplek, alleen staat het bekend om de enige plek rond Koh Tao waar nog echt schildpadden gezien worden. We worden dan ook gewaarschuwd om de dieren niet te storen.
Onderwater zwemmen we een aantal rondjes rond White Rock, die een echte steen blijkt te zijn. Alleen is hij niet wit, maar dat is verder ook niet belangrijk. De schoonheid van deze wereld is onbeschrijfelijk. Ik kijk mijn ogen uit. Nog nooit heb ik zo iets gezien. Golvend koraal waar tussen honderden minuscule visjes zich verstoppen.
Plotseling zwemmen we harder richting een ander groepje duikers. Als we er eenmaal zijn kijk ik rond maar zie niets bijzonders. Iedereen wijst naar dezelfde plek maar er is niets te zien. Dan zie ik het, nog geen twee meter van me vandaan, recht voor mijn neus zwemt een schildpad, heel rustig met een soort verveelde blik. Hij is gigantisch, bijna anderhalve meter lang. Later blijkt het een Chelonia mydas of green turtle geweest te zijn. De Nederlandse naam klinkt wat gruwelijk en dom, namelijk Soepschildpad. Het is de soort die Koh Tao vroeger(dus nog geen twintig jaar geleden) domineerde.
’s Avonds is het mijn laatste nacht op Koh Tao besluit ik. De volgende dag is mijn cursus afgelopen en ik ben erg benieuwd naar Maleisie. Ik boek een boot reis naar het vaste land en een kaartje in de nachttrein naar Butterworth in Maleisië bij een van de tientallen reisbureaus. Na hier en daar wat prijzen gecheckt te hebben blijken ze allemaal even duur te zijn. Ik ga terug naar de vriendelijkste mensen waar ik een kaartje van krijg. De volgende dag wordt ik om vier uur verwacht voor het reisbureau.
Ik eet een gigantische hamburger met patat bij de Australische pub terwijl ik me, omringd door Australiërs, aan het afgelopen voetbal seizoen vergaap.
In het minuscule winkelstraatje om de hoek ga ik nog opzoek naar een T-shirt en koop er een voor vijf euro. Hierna loop ik nog een boekenwinkel in en kijk even rond. Tot mijn verbazing sta ik voor een rek vol met Nederlandse boeken. Wel allemaal tweedehands boeken waar ik nog nooit van gehoord heb, maar ze zijn er wel. Ik kijk wat door het rek maar zie niets naar mijn interesse en ga weer op bungalow aan.
5
Met mijn tas bepakt en bezakt loop ik voor de laatste keer de weg af naar mijn duikschool. Bij de receptie van de duikschool mag ik de tas stallen tot ik weg ga. Ik kijk op mijn horloge en zie hoe extreem vroeg ik ben. In het restaurantje bestel ik een fruitsalade met yoghurt en kijk naar het nieuws. Een man in een graafmachine rijdt mensen aan in Israel en Íngrid Betancourt is bevrijd van de FARC in Colombia.
Na een uurtje is iedereen er en bereiden we ons voor op de laatste twee duiken.
Met een bootje gaan we naar een grote boot en met die boot varen we anderhalf uur in de richting van het vaste land. Chumpon Pinnacle is de duiklocatie van deze ochtend. Deze naam omdat de locatie dicht bij Chumpon ligt. Alsnog is dat zo’n tachtig kilometer om alle logica maar even achterwege te laten.
Onderweg informeert Ricky ons over de duiklocatie. De Pinnacle is een plek waar heel veel vissen komen, duizenden. Het diepste punt is zo’n dertig meter wat precies de hoogte is waar haaien kunnen komen.
Zelf gaan we niet dieper dan twaalf meter, mede door onze onervarenheid. Plotseling gaat mijn Buddy, Remco over zijn nek. Door al het schommelen van de boot is hij misselijk geworden. Ik sta er bij en hoop dat we vandaag geen oefeningen gaan doen met het wisselen van zuurstof fles zodat ik zijn mondstuk over moet nemen.
Dan gaan we het water in via het anker. Hela heeft last van het druk verschil en komt daardoor niet lager dan vier meter. Na een paar minuutjes gaat het al beter en langzaam kunnen we naar de diepte.
In eerste instantie is het zicht wat troebel, maar daarna is het meteen de mooiste duiklocatie tot nu toe.
We zwemmen rond en het blijkt niet gelogen over de haai. Zo’n tien á vijftien meter beneden ons zwemt er een van zeker anderhalve meter lang.
Na een paar minuutjes en een zeeslang moeten we alweer naar boven en zetten we koers naar de allerlaatste duiklocatie. Green Rock. Dit ligt weer dichter bij Koh Nang Yuan. Het bestaat uit twee rotsen. Een hele grote en een iets kleinere. Met kleine rotsjes en heel veel koraal liggen ze aan elkaar vast. Omdat deze plek minder diep ligt dan de vorige zijn er geen haaien, maar kunnen we wel ter hoogte van het koraal en de vissen komen. Overal zwemmen vissen, grote en kleine. Honderden. Grote maanachtige landschappen met kraters waar vissen zich verschuilen van alle kleuren die er te bedenken zijn. We zwemmen achter Ricky aan en hij laat ons een plant zien. Een soort grote openstaande bloemen lijken het. Met zijn handen maakt hij een stroming waardoor de bloemen dicht klappen en zich intrekken. Zodra hij stopt klappen ze weer uit.
We doen hem allemaal even na en zwemmen dan weer verder langs nog meer vissen, overal waar ik kijk wordt ik erdoor omringd.
Dit is de langste duik die we maken, maar alsnog is het veels te kort zo bijzonder en onrealistisch mooi is deze wereld.
Op het eiland wordt een foto van ons gemaakt en krijgen we ons duikdiploma en een duik log waarin we onze gemaakte duiken kunnen op schrijven.
Met zijn vijven praten we nog na over de duiken die we gemaakt hebben. Als het tien voor vier is verontschuldig ik me en ga op weg naar reisbureau waar een pick-up op mij en twee anderen staat te wachten. Op de stijger duurt het nog een uur voor we vertrekken maar ik heb alle tijd.
Als we eenmaal onderweg zijn en ik verder lees in Choke gaat de televisie opeens aan. Ik heb wel zin in een film dus leg ik mijn boek weg. Het is Iron Man. Had ik nog niet gezien dus dat lijkt me best leuk. Wel apart dat ze hem nu al op dvd hebben terwijl nog maar net in de bioscoop draait, het zal vast een illegale versie zijn.
Ik ga er lekker voor zitten en ben blij dat er Engelse ondertiteling bij zit vanwege al het omgevingslawaai. Die laatste woorden trek ik terug. Ik ben niet blij dat er ondertiteling bij zit, ze slaan namelijk totaal nergens op. Werkwoorden staan op de verkeerde plek, net als de persoonlijk voornaamwoorden en de rest. Dan heb ik het nog niet eens over de vertaling. Mijn idee klopte dus, illegaal is het zeker en de ondertiteling is zeker niet gemaakt door een Engels persoon.
Ik probeer verder te kijken maar het is moeilijk om de ondertiteling te negeren, dus ik pak mijn boek maar weer.
Als we eindelijk aanmeren op het vaste land word ik, samen met nog een aantal mensen in een klein busje gepropt. De rest gaat in een grote bus met de bestemming bankok. Wij zijn de mensen die richting Chumpon gaan. We rijden weg en een half uurtje later stoppen we ergens midden in Chumpon. Niemand snapt precies waarom, tot dat er een vrouw naar ons toe komt en ons uitnodigt in haar restaurant.
Aha! Goede zet, wij eten bij het restaurant, want ja wat moet je anders en de bootmaatschappij krijgt een extra centje van het restaurant. Ik besluit me er bij neer te leggen als de vrouw verteld dat we ieder een lift krijgen naar het station als we weg moeten.
Ik eet een heerlijke portie Pad Thai voor wie weet wel de laatste keer. Dit is tenslotte mijn laatste dag Thailand. Mijn trein vertrekt pas om kwart voor tien terwijl het nu nog geen half zeven is. Ik eet wat uitgebreider dan normaal, lees wat en peuter in mijn neus. Half acht.
Het restaurant ligt aan een brede lange weg met veel drukte, het lijkt er niet op dat ik snel zal verdwalen dus maak ik een wandelingetje op en neer. Op een grote overdekte nacht markt koop ik een potje tijgerbalsem voor mijn vader en loop weer aan de overkant terug. Een über westers internet café met heel veel gebak trekt mijn oog, vanwege het internet.
Het is negen uur en ik ben zo wel klaar met mijn tijd te verdoen. Terug in het restaurant vraag ik hoe laat ik opgehaald wordt. Soon! Soon! Soon! Is alles wat de mevrouw zegt dus ik pak mijn boek en lees een beetje, wel onrustig opkijkend of ik mijn ritje niet mis.
En half uur later ben ik eindelijk op het station. Binnen vijf minuten moet de trein er zijn dus ik ga geduldig zitten wachten. Een half uur later zit ik nog steeds op dezelfde plek. Ik ben niet de enige die wacht, dus de trein heb ik in ieder geval niet gemist.
Op ieder treinstation in Thailand waar ik geweest ben, is een overvloed aan conducteurs en andere medewerkers. Als er geen trein is hebben ze dus niets te doen. Vijf meter van het bankje waar ik op zit staan ze in een groepje te lachen. Een aantal kijken wat nerveus rond, maar de rest doet alsof ze de enige in de wereld zijn. Ik begrijp niet zo goed wat ze aan het doen zijn tot ik uit mijn ooghoek een telefoon zie waarop een “wat”erotische film wordt afgespeeld. Iets wat mij nogal verbaasd, aangezien bloot en seks nogal een taboe is in dit land. Vandaar ook de nerveuze blikken van enkele collega’s
Een uur te laat komt de trein uiteindelijk binnenrollen. Ik zoek mijn wagon en kom terecht in een ruimte met zo’n vijftig bedden, met een klein onder kleren en andere rommel bedolven gangpad. En overal waar ik kijk zie ik tieners van mijn leeftijd of jonger. Ik vind mijn prachtig opgemaakte bed met gordijntjes onder dat van een meisje van een jaar of vijftien. Ondanks het lawaai in de trein slaap ik als een roos.
6
’s Ochtends om een uur of acht word ik pas wakker van het lawaai in de wagon. Ik kijk onder mijn voeten of al mijn bezittingen nog wel mijn bezittingen zijn en ga weer rustig achterover liggen.
Boven mijn bedje zitten twee knopjes. Eentje voor het licht denk ik en een andere voor iets anders. Ik druk de rechter in en er gebeurt niets. Het zelfde resultaat geld voor de ander. Na dat ik beiden nog een aantal keer in gedrukt heb zie ik onder het bedlampje zelf nog een knopje zitten. Aha! Logisch!
Pas later bedenk ik me wat de andere knopjes zijn. Of tenminste een van de twee; de steward(es). Gelukkig zijn er al voor me mensen geweest die de knopjes misbruikt hebben waardoor er niet meer gereageerd wordt.
Een half uurtje later hoor ik harde bonken en geklap en besluit door mijn gordijntje te spieken. Tegen over mijn bed staan plotseling vier stoelen in plaats van twee bedden. En verder op ook. Best bizar, dat was gisteren nog niet. Ik ga naar het toilet aan de andere kant van de wagon en passeer tientallen schoolkinderen en drie Engelsen die ik vriendelijk terug groet.
Als ik terug kom, is mijn bed ook verdwenen en verderop zie ik een meneer een bed afhalen en prachtig inklappen tot vier stoelen. Het meisje dat boven mij sliep is inmiddels wakker en zit op een van de stoelen. Ik knik naar haar en ga tegenover haar zitten met mijn boek. Elke drie seconden komt er een van haar klasgenootjes dol enthousiast met een soort boekje bij haar met de vraag of ze er iets leuks in wil zetten.
En jawel, ik kan het verstaan. Want, ondanks dat Maleisië haar eigen taal heeft (Bahasa Malaysia) is dat niet de enige gesproken taal. Bijna een kwart van de Maleisiërs is Chinees wat dus tamelijk overheersend is, zowel in cultuur als taal. Voor officiële gebeurtenissen en zakelijkheden wordt er Engels gesproken. Net als op school. Dus ook op een schoolreisje in de trein.
Dit alles wordt me verteld door het meisje dat, net als de rest van de kinderen Maleisisch blijkt te zijn en op de terug weg is van een uitwisseling in Bangkok.
Hierna gaan we verder in gesprek en natuurlijk vraagt ze het gebruikelijke. Wat ik hier doe, waarom, voor hoelang, waarvandaan en waar ik heen ga. Zij blijkt inderdaad vijftien te zijn en wonend in Georgetown, de hoofdstad van de provincie Pengan. Wat ook mijn einddoel voor vandaag is.
Verbaasd dat ik ben over dat deze mensen al zo goed Engels spreken blijkt het meisje ook nog eens in Nederland te zijn geweest. Wel toen ze nog maar een jaar of drie was. Maar goed, ze is er geweest.
De reis duurt nog een uurtje voort als we moeten stoppen voor de grens overang in Padang Besar, een klein provinciestadje precies op de grens.
Hier mogen we er allemaal uit om met ons passpoort in de rij te gaan staan op weg naar Maleisië. Het douane gebouwtje bestaat uit twee verdiepingen. De bovenste voor Thailand uit. De onderste voor Maleisië in. Omdat ik vrij voorin de rij sta mag ik snel door.
Mijn bagage wordt gecheckt door een douanier. Dat houdt in dat iemand een blik werpt op mijn trui die bovenop mijn tas ligt en me dan doorstuurt naar de Maleisische douane. Daar mag ik zo door lopen en op weg naar buiten koop ik met mijn eerste ringgits een grote fles water. Na nog eventjes in de trein te hebben gewacht op de rest van de passagiers rijden we weer verder.
Intussen is elk bed omgetoverd tot twee stoelen waardoor er meer plaatsen zijn dan personen. Mij en het meisje maakt het niets uit, zo hebben we meer ruimte. Maar helaas duurt dat niet lang. Het eerste Maleisische station waar we stoppen blijkt een populaire te zijn. Zeker honderd behoofddoekte?????????? moslim meisjes stappen in waardoor de wagon meer dan overvol is. Naast mij zitten twee meisjes met nog iemand op schoot en daarom heen kan ik niet eens tellen. Volslagen overrompeld kijk ik om me heen. Dit is wel een heel directe manier om kennis te maken met een moslim land.
Gelukkig duurt de drukte niet lang. Het volgende station is ook weer de uitstapplaats van de meisjes.
Uiteindelijk rijden we om half één industriestad Butterworth binnen waarna ik afscheid neem van het meisje en bepakt en bezakt opzoek ga naar de boot. Die blijkt niet ver te zijn en na een kwartiertje mogen we al aanboord.
En natuurlijk is dat een mooie timing om naar de wc te moeten. Ik kijk om me heen en zie dezelfde Britten van in de trein. Aan hen vraag ik of zij een paar minuutjes op mijn spullen willen letten. Dat willen ze wel en een paar minuutjes later ben ik weer terug. Of ik bij ze wil zitten? Ja hoor, mij best.
De Britten in kwestie blijken Jade, Dimi(tri) en Zarah te heten. Jade en Dimi zijn allebei net als ik op reis te zijn. Ook door Thailand, Maleisië en Singapore. Alleen zijn zij ook nog in het hoge noorden geweest. Zarah zijn ze ook maar per toeval tegen gekomen. Zij is lerares Engels in een dorp nabij Petchaburi ten zuiden van Bangkok. Maar moet vanwege het verlopen van haar visum een nieuwe aan vragen en mag dus een weekje met vakantie in Maleisië. Ze kwamen elkaar tegen in de trein hier heen en besloten een paar dagen samen op te trekken.
Met zijn vieren kijken we naar de skyline van Georgetown. Jawel, de skyline. Een van de laatste dingen die ik had verwacht hier. Nou komt dat ook omdat ik niet zo veel heb gelezen over Georgetown en Pengang. Georgetown blijkt ook wat groter te zijn dan ik had gedacht. Met vierhonderd duizend inwoners en meer dan een miljoen met de omliggende steden mee gerekend is het zowaar een wereldstad. Waar dus ook een skyline bij hoort.
Als we van de boot komen wordt er bijna meteen vanuit gegaan dat ik met de drie Britten mee ga. Ik had al een hostel uitgekozen met een aantal omliggende hostels als tweede optie. Daar gaan we dus maar heen. Niet met de taxi want dat is te duur. “Taxi’s are a huge rip-off” volgens Jade.
Dus we gaan lopen? Dat moet wel, maar waarheen weet Jade niet. Ik wel, maar ik hou vrolijk mijn mond en laat het hem maar uitzoeken. Uiteindelijk lopen we toch maar terug naar de taxi standplaats en brengt de taxi ons naar de hostelstraat. Bij een Rastafari kloppen we aan. Helaas zit hij vol maar hij verwijst ons door naar een ander hostel. Die hebben nog wel een kamertje. Met twee tweepersoons bedden. We betalen ieder vijftien Ringgit(drie euro) en we mogen een nachtje blijven.
Ik sterf van de honger en aan de overkant zie ik een klein winkeltje. Het staat vol met fishcrackers en allerlei onbekende frisdranken. Ik ga voor een zak fishcrackers. Al snel kom ik erachter dat het niet het zelfde is als kroepoek. Gadverdamme wat is dat onsmakelijk.
Gelukkig gaan we niet lang daarna opzoek naar wat te eten en daarna een plek om uit te gaan. Want dat willen de Britten graag en ik vind het allemaal best. De hotelmanager wijst ons op een straatje waar veel restaurantjes zijn.
Het straatje vinden we niet, maar wel een gigantisch winkelcentrum met een restaurantje waar we eten. We nemen onze tijd terwijl we over ditjes en datjes praten. Dan gaat het gesprek natuurlijk over op mijn thuisland. Nederland. En wat typisch Nederlands is volgens de Engelsen; Wiet. Ik beantwoord hun vragen over het magische spul en of ik het vaak gebruik. Dan neemt het gesprek weer een onverwachte wending.
Of we het hier misschien ergens kunnen krijgen? Misschien bij de Rastafari van dat ene hostel? Als het ergens kan, dan wel bij hem toch?
Ik hoor het gesprek eventjes aan maar besluit toch maar te zeggen wat waar is. De doodstraf staat op het verhandelen en/of gebruiken van wiet. Het lijkt ze niet te storen dus laat ik ze maar lekker praten. Ik doe het liever thuis.
Als na gerecht gaan we naar de welbekende Irishpub. Want ook die hebben ze in Maleisië. Op het terras met grote houten banken en tafels zitten we van onze Guinness te genieten. En van onze tweede Guinness en als laatste onze Chang.
Uiteindelijk is het half tien en gaan we opzoek naar een taxi die ons kan vertellen waar we uitkunnen gaan. Uiteraard krijgen we het antwoord “Somewhere over there, I can bring you! Only thirty Ringgit.”
“Just tell us where to go and we’ll walk” Is ons antwoord.
“No, I can’t explain and it’s so far. To far to walk, really.”
Na nog wat heen en weer gezeur gaan we toch maar in op zijn aanbod, mits het ons maar vijftien Ringgit kost.
“No, no no. Thrity Ringgit.”
“No, nono. Fiftheen Ringgit.” Zegt Jade sarcastisch
Als we twintig Ringgit bieden en de taxichauffeur er nog niet op in gaat besluiten we maar in de door hem aangewezen richting te lopen. Maar, plotseling gaat hij toch in op onze twintig Ringgit.
In Jin Penang worden we afgezet. Alles ziet er nog niet uit alsof het open is dus lopen we een rondje. Dus we gaan nog maar een cafeetje in met de naam Opera. Daar bestellen we een emmertje Heineken. Daarbij komt een rare mevrouw die om de zoveel tijd een flesje komt openen zonder het te vragen.
Zo zitten we nog een hele tijd. We praten over welke muziek beter is(Rock of Dance). Welk land beter is(Maleisië of Thailand) Waarom Heineken altijd overal te krijgen is. En we kijken naar Maleisische Cricket.
Als we hier weg gaan zie ik het al niet zo erg meer zitten. Maar ja, ik moet mee. Nederlanders zijn de beste feestgangers, zo schijnt.
Tegen over de Opera zit een clubachtig ding genaamd Coco’s we kijken wat rond en worden gelijk al aangesproken door een overenthousiaste man in een prachtig pak.
“For just thirty Ringgit you can come in! And you get a bucket of wodka mix for free!!!”
Dat is nou niet zo duur als je bedenkt dat je voor hetzelfde bedrag in Nederland misschien net twee biertjes kan kopen.
Voordat ik het weet gaan we er op in. Een stempel slaat op mijn hand en we krijgen een tafeltje aangewezen.
Nu moet ik eerlijk zijn. Van de volgende uren weet ik niet veel. Enkel een live band die me heel erg aan de Japanse The 5.6.7.8’s(Uit Quentin Tarantino’s Kill Bill) deed denken, andere geplaybackte nummers. Dat de wodka gemixt was met cola en 7-up. En dat ik zo trots was dat ik zo veel aan het drinken was in een land waar je eenentwintig moet zijn om te kunnen drinken en nog een Moslimland is ook.
Om een uur of twee zat ik alleen in een veels te dure taxi naar het hostel. Daar aangekomen zwaai ik de aardige onverstaanbare chauffeur uit en kom er achter dat ik voor een dichte deur sta. Ik klop op de deur en hoor wat lawaai. Nog een keer kloppen dan maar. Het lawaai komt harder terug. Misschien kan ik het verstaan als ik nog harder klopt. Ja hoor:
“Around the back!” is het lawaai dat achter de dichte deur vandaan komt.
Ik kijk om me heen en zoek het zijstraatje dat naar de achterkant leid.
Niet lang daarna slaap ik als een os.
De volgende ochtend ben ik niet meer alleen op de kamer en voel me nog beroerder. Ik ga met een zwaar hoofd naar het toilet en als ik terug kom is de rest ook wakker. Met zijn vieren gaan we ontbijten.
Teminste, met zijn vieren gaan Dimi en Jade ontbijten. Ik bestel een kopje thee en drogetoastjes. Dimi en Jade gaan totaal los met een gigantisch Engels ontbijt met bonen, champignons, eieren en dikke lagen boter.
Zarah houdt het bij een al dan niet bescheiden toastje met eieren.
Als ik er naar kijk voel ik me nog beroerder en bestluit vandaag maar even rustig aan te doen. De rest wil naar het beroemde Batu Ferringhi strand(iets wat beroemd is om al zijn vervuiling en uitzicht op olietankers).
Een uurtje later checken we uit het hostel en nemen we afscheid. Geen van drieën heb ik ooit meer gezien. Ikzelf boek in hetzelfde hostel een nieuwe één persoonskamer die ik de rest van de dag bijna niet meer uit kom. Ik lees mijn boek en schrijf mijn kaarten naar mijn ouders, zus, vriendin en oma.
Verder breng ik ook mijn was naar de receptie. Want dat was langzamerhand wel eens nodig.(de volgende dag krijg ik het gestreken, vacuum verpakt en brandschoon voor maar vier euro vijftig terug.)
’s Avonds eet ik heel erg goed in het hostel. Dat is dan ook iets waar de Penangers en met namen de Georgetowners bekend om staan. Eten. Met mezelf spreek ik gelijk af morgen opzoek te gaan naar een heel goed restaurant.
Mijn trouwe vriend de Lonely Planet staat boordevol met tours door steden met leuke weetjes en dingetjes. Deze trouwheid is helaas niet altijd wederzijds. Ik lees soms dingen niet die achteraf wel leuk geweest zouden kunnen zijn. Dus vandaag pak ik het eens goed aan.
Een van de tours in Georgetown heet de Colonial Tour en vandaag ga ik die doen. Onderweg is een postkantoor dus dat komt mooi uit voor mijn nog te versturen kaarten. Op het postkantoor kost het versturen van een kaartje naar Nederland drie Ringgit, evenveel als het versturen van een kaartje binnen Nederland.
Hierna begin ik aan mijn tour. Via een historische Britse klokkentoren loop ik langs fort Cornwallis, het oude- en het nieuwe stadhuis. Het 2e wereldoorlog monument(want ook hier is heftig huisgehouden door de Japanners) leidt me via de oudste kerk in Penang naar het Penang museum. Waar ik leer over het Multiculturele Maleisië. Voornamelijk de Britten zijn lang heerser geweest in deze provincie.
Hier na neem ik de bus naar Air Itam waar de grootste Boeddhistische tempel van Maleisie staat. Half ingebouwd in Bukit Bendera en nergens aangewezen met een bordje.
Omdat de tempel wat bergopwaarts ligt besluit ik via “een weg” maar bergopwaarts te lopen. Ik kom langs wat verlaten hutjes, honden en auto’s maar zie verder niets nuttigs. Dan maar weer terug. Aan een meneer met een grote snor vraag ik de weg. Hij wijst naar een smal bruggetje tussen twee huizen niet ver vanwaar we staan.
Daarbinnen loopt een lange weg omhoog met links en rechts winkeltjes met prulletjes en dingetjes. Ik koop een gouden zwaaiend chinees katje voor een paar Ringgit en loop weer verder. Uiteindelijk kom ik bij een soort rotonde met nog meer winkels. In het midden is een vijvertje met een torentje. In het vijvertje liggen zo’n vijfhonderd plus schildpadden. Naast elkaar, op elkaar, onder elkaar en op nog meer vreemde manieren. Het ziet er nogal komisch uit geen van de beestjes kan zich fatsoenlijk omdraaien, laat staan zwemmen.
Aan de andere kant van het vijvertje gaat de rotonde verder naar de tempel. De tempel geeft een geweldig uitzicht over de oostkant van het eiland. De gigantische toren in het midden van Georgetown is samen met het vaste land het enige wat ik herken.
De tempel is verder niet heel erg indrukwekkend. Niet veel later ben ik weer terug bij de schildpadden rotonde. Bij een van de winkeltjes koop ik een potje tijgerbalsem en ik ben weer op weg naar de bushalte. Hoewel ik honger heb ga ik toch maar terug naar het centrum en ga daar rustig opzoek naar een restaurantje.
Ik loop vrolijk door Lebu Citra in het centrum als de lucht plotseling donker betrekt. Als de eerste spetters vallen bedenk ik dat ik maar beter even ergens kan gaan eten. Ik duik het eerste Chineesrestaurantje in dat ik tegen kom, als het water met bakken uit de hemel komt gevallen. Het restaurantje is een typisch Chinees Maleisisch restaurant; het uiterlijk is een weerspiegeling van het eten. Kale muren met hier en daar een niets zeggend schilderijtje, plastic stoeltjes en een gigantische rommelige keuken waar de heerlijkste maaltijden worden gemaakt.
Ik neem plaats aan een van de zes tafeltjes. De kaart die ik mijn handen gedrukt krijg staat vol met verschillende maaltijden. Ik kijk rustig om mij heen en zie de slager staan hakken in een stuk vlees. Naast hem hangt een eend aan een haak en besluit dat ik maar geen eend neem. Toch weet ik onbewust dat de rest van het vlees niet beter wordt bewaard. Omdat ik ook eens wat anders wil dan Chicken-rice bestel ik kip in zoetzuur saus met een cola. Ik verdiep me in mijn Lonely Planet terwijl drie minuten later mijn eten al wordt geserveerd. Ik eet rustig en hoop dat de regen niet te lang aan houdt.
Het eten is heerlijk, de lonely planet heeft niks gelogen. Maar als de regen stopt en alleen nog wat na druppelt pak ik mijn tas, betaal en wil naar buiten lopen. De straat staat echter totaal blank. De eigenaar van het restaurantje lacht me uit.
“You don’t want wet feet!” zegt hij grijnzend. En het is nog waar ook, helemaal vanwege de open riolen hier en het niet helende wondje in mijn voet van Koh Tao.
“No! Does this happen a lot?” vraag ik de eigenaar.
“A couple times a year and it depends on which street.”
Ik knik een staar naar het water.
“Where are you from?”
“Holland.” Zeg ik, “Will it float away?”
“In half an hour maybe.”
Nog even blijf ik staan en zie dat het water weg zakt. Een dure auto komt aan gereden en stopt voor het restaurant. Drie jongens die uit het restaurant kwamen stappen heel moeilijk de auto in maar worden toch nat. Ik loop terug naar binnen en bestel nog maar een cola.
Eindelijk kan ik weer over de straat lopen. De vorige dag zag ik een mooi T-shirt hangen en besluit dat te gaan halen. Ik ga naar hetzelfde winkelcentrum als twee dagen terug en koop het shirt. Verder loop ik nog even over de telefoon afdeling waar letterlijk elke telefoon die gemaakt is tussen 1990 en nu te koop is. Dan zie ik de bioscoop helemaal boven in. De film Hancock draait nu. Naast de bioscoop is dezelfde film ook illegaal te koop voor een paar ringgit. Ik ga toch maar voor de bioscoop en voor één euro twintig mag ik naar binnen.
Één euro twintig! Totaal verbaasd loop ik naar binnen. Gelukkig is de film nog in het Engels ook met Maleisische ondertiteling.
’s Avonds eet ik al vroeg bij mijn hostel en zie ik (wonderbaarlijk genoeg) voor het eerst een kakkerlak. Naar bed ga ik ook vroeg want mijn wekker staat om half vijf ’s nachts.
Van het busje ga ik over naar de een bus en als iedereen zit(en staat wegens plaats gebrek) vertrekken we naar de boot toe. De busreis duurt veel langer dan ik had gedacht en na een half uur mogen we eindelijk uitstappen.
Ik krijg roze stickers voor mijn bepakking en mezelf met “Koh Tao” erop. Na twee en een half uur varen en naar de baggerfilm “Nothing to loose”gekeken te hebben. Meren we aan in Koh Nang Yuan. Dit paradijsje bestaat uit drie eilanden en is samen nog geen vierkante kilometer groot. Ik mag blijven zitten, ik hoef er bij de volgende halte pas uit. Een half uurtje later meren we aan op Koh Tao.
Koh Tao(Schildpad Eiland), een van de minst toeristische eilanden van Thailand is ongeveer twintig vierkante kilometer en bestaat uit een weg van noord naar zuid, die maar half geasfalteerd is. Het eiland leeft van de duik toeristen en is genoemd naar de schildpadden die hier vroeger woonden. Nu niet meer door alle mensen.
Het blijkt toch wat toeristischer te zijn dan ik had verwacht. Meteen wordt ik al overspoelt door Taxi chauffeurs en hostel/hotel eigenaren. Ik besluit maar in zee te gaan met een van de taxi chauffeurs. Een hostel had ik al gevonden, een privé bungalow zelfs. Na wat onderhandelen(wat ik verlies natuurlijk) brengt de chauffeur me naar Sun Lord bungalows.
Voor nog geen zes euro per nacht mag ik hier logeren.
Ik krijg een eigen houten blokhuthuisje met uitzicht op zee. In het huisje heb ik voor de eerste en meteen ook laatste keer een privé badkamertje, met douche, wc en wastafel.
Gevaarlijk dicht naast de douche hangt een niet zo goed afgewerkte gloeilamp, waardoor ik de douchekop maar meteen de andere kant op draai.
Over het viezige oude dunne matras hangt een net zo smerige klamboe. Ik besluit er maar doorheen te kijken en ga buiten een wandelingetje maken. Ik loop het steile pad terug om hoog en loop de geasfalteerde weg af opzoek naar een strand.
Omdat het eiland zo klein is zijn er eigenlijk geen verkeersregels, evenmin als politie. Om de zoveel minuten wordt ik dan ook ingehaald door motoren, auto’s en scooters die vijftig kilometer per uur of harder rijden op de bochtige wegen. In mijn lonely planet lees ik dat dit soort eilanden er om bekend staan dat ze zo hard rijden met alles waar mee te rijden valt. Ook als men er geen rijbewijs voor heeft.
Na een tijdje te hebben gelopen besluit ik dat ik me ook maar aan een voertuig moet verbinden.
Terug bij mijn hostel vraag ik de hostess om een scooter. Omdat ik nog nooit op een scooter heb gereden begin ik daar eerst maar mee en laat ik de motor nog maar even staan. Ik krijg een mooi dingetje met bijna geen benzine. Een dag lang huur ik het ding voor nog geen zes euro. De benzine kost me vijf euro en zo kan ik de hele dag vooruit.
Ik rijd de steile heuvel weer op en aan het einde wil ik de bocht afslaan maar ik val lekker om. Ik heb niks en zo te zien de scooter ook niets dus ik rijd lekker door. Aan de andere kant van het eiland ligt een klein strandje wat ik graag wil bezoeken. Via een modderig pad met grote kuilen kom ik aan bij het water.
Na een paar uur ga ik opzoek naar een duikschool. Want ook dat wil ik nog eens in mijn leven doen en als ik hier toch ben…
Op het strand dichts bij mijn bungalowtje zit één duikschool. Open Water Diver, hier kan ik zowel op z’n Paddy als op zijn SSI leren duiken. Dit zegt me helemaal niets maar ik vindt het allemaal best. Nog die zelfde middag begin ik mijn vier daagse duikcursus. Ik wordt ingedeeld in een groepje van vier. Twee vrouwen, Israelisch en Canadees, een Belgische man en ik. Onze instructeur heet Ricky uit Ierland.
We zitten in dit groepje omdat wij allemaal voor SSI hebben gekozen. Waarom? Omdat we allemaal de goedkoopste duikcursus wilden.
Een middag lang kijken we video’s met duikinstructies. Het gaat over gevaren, vissen, het weer, druk, bepaalde gassen en wat al niet nog meer. Aan het einde van de lange middag eet ik en ga ik terug naar mijn Bungalowtje. De scooter sleutels lever ik weer in bij de hostess en ik ga slapen. Na een half uurtje klopt de hostess druk in de war op mijn bungalow deur. Ik snap er geen bal van en ik loop met haar mee.
We lopen voorbij haar huis naar de scooters. Daar staat haar zoon die op de scooter die ik die dag leende wijst. Er zit schade op. Shit.
Ik viel wel om, maar naar mijn idee geeft dat niet zo veel schade. Ik kijk goed waar de schade zit en geef uiteindelijk toe dat, dat mijn schuld was. Het moet haast wel. Verder mist er ook nog iets op het spatbord maar dat kan niet mijn schuld zijn zeg ik.
Helaas kan ik dat niet bewijzen en ik moet betalen. Ja, het was over de tachtig euro. Dan maar wat minder luxe eten(wat ik toch al niet deed).
De volgende dag mag ik weer redelijk vroeg uit mijn viezige bed. Lopend ga ik naar de Duikschool. Lopend, want ik wil niet nog eens zo veel geld betalen voor een scooter en als training voor mezelf. Thuis in Amsterdam doe ik namelijk alles, maar dan ook alles op de fiets. Naar de Albert Heijn om de hoek ga ik op de fiets, naar school, naar het station naar mijn werk, alles. Daarom ben ik niet gewend te lopen. Zo slecht is dat ook weer niet, want ik fiets ook alles en ga bijna nooit met het openbaar vervoer. Toch moet ik nu lopen, want op een andere manier kan het niet.
Na twee kilometer lopen en tussendoor French Toast te hebben ontbeten ben ik er. De ochtend verloopt het zelfde als de vorige dag, tv kijken en vragen beantwoorden. Maar ’s middag mogen we eindelijk onze duikuitrusting uitkiezen, aantrekken en gaan we met een boot naar The Twins naast Koh Nang Yuan. Twins is een van de vele duikplekken rond Koh Tao. Waarom we naar Twins gaan? Omdat het de makkelijkste duikplek is. Hij blijkt ook niet meer te zijn dan een strandje met heel langzaam aflopende bodem. We doen standaard oefeningetjes en aan het einde van de dag zijn we op een maximale diepte van vijf meter geweest. Op de boot is gratis thee, koffie, water en koekjes. Na ons helemaal vol gestopt te hebben en wat over vissen te hebben geleerd gaan we weer richting het eiland. Met zijn vieren vijven zitten we nog even na te praten als het gesprek op Sharm-el-sheik(Egypte) valt. Remco(de Belg) verteld dat daar een aantal jaar geleden een terroristische aanslag was gepleegd in een druk uitgaansdeel van de stad naast een café. De broer van Remco gaf toen duikles in Sharm-el- Sheikh. Het café was zijn favoriete plek om iets te gaan drinken, maar door de drukte was er geen plek. Met zijn vrienden ging hij aan de overkant van het plein wachten tot het rustiger zou worden. Net toen ze weer naar buiten liepen explodeerde het favoriete café en de broer van Remco overleeft door pech een aanslag.
Plotseling begint het Israëlische meisje, Hela, heel verbaasd te praten. Hela zat voor dat ze ging reizen in de Israëlische luchtmacht. Het was Chanoeka dus was zij ingesteld als vervangend verantwoordelijke voor de vliegtuigen. Die dag was de aanslag in Sharm-el-Sheikh en leidde zij de vliegtuigen de lucht in voor Medische hulp. Is dat even toevallig?
Terwijl Hela dit verteld valt me op hoe enthousiast ze dat doet en veel nadruk legt op de Medische hulp die ze gaven aan Egypte. Ik ga verder met haar in gesprek en zo komen we op het reizen. In Israel is iedereen verplicht het leger in te gaan, zowel man als vrouw. Deze periode duurt vijf jaar of langer. Daarna is het heel gebruikelijk om te gaan reizen. Ze is nu een jaar onderweg. Vanaf New Delhi in India via Nepal, China, Laos, Vietnam, Cambodja kwam ze hier in Thailand. Ik vertel over mijn reis en vraag of ze hierna ook door gaat naar Maleisië.
“No I can’t” zegt ze
“Why not?” vraag ik verbaasd. “Are you out of money?”
“No, No, its because i’m Israëli”’
“So?”
“Well, Malaysia is a Muslim country and apperantly they hate us for what we do in the middle-east so the ban us and everyone with an Israeli stamp in their passport.”
“Is it just Malaysia that does that?”vraag ik verbaasd verder
“No, Indonesia aswell. But Pakistan, Egypt and all the other middle-east countries don’t bann us. It’s just alot harder to get in.”
’s Avonds na het eten loop ik ook weer terug. Hoe toeristisch het minuscule eilandje ook is, verlichting en een verharde weg is hier niet aanwezig. Maar er is toch amper verkeer dus ik hoef me nergens druk om te maken.
Overal blaffen honden mij na en twee komen naar me toe. Ik loop sneller door en gelukkig helpt het. Ze volgen me niet. Bij mijn bungalowtje aangekomen is het nog maar negen uur. Ik wil nog even een stukje lezen voordat ik ga slapen. Met een zaklamp in de ene hand en het boek in de andere ga ik op mijn balkonnetje zitten. Overal hoor ik beestjes vliegen, kruipen, piepen en andere geluidjes maken. Ik schijn naar boven en op het afdakje zit een klein salamandertje. Hoe klein het beestje dan ook is, ik kan me niet concentreren met dat beest. Net voor ik wil opstaan, vliegt er een vlinder, vogel of vleermuis ter grootte van mijn gezicht geruisloos voorbij. Ik sprint mijn bungalow binnen, doe het buiten licht uit en de deur goed op slot.
De volgende dag is het eindelijk zover, ik mag echt duiken. Met een klein bootje gaan we naar een groot bootje en met dat grote bootje naar de duiklocatie. Met het duikgroepje lopen we door het water naar het kleine bootje. Niemand nam zijn slippers mee. En iedereen heeft daar spijt van. Het lijkt wel glas waar we in lopen. Door het heldere water zie ik op de bodem bergen dood en knoert hard koraal liggen dat wondjes in mijn voet maakt.
Aan de andere kant van Koh Nang Yuan liggen The Japanese Gardens die, net als The Twins een makkelijke duikplek is, maar nu met koraal en vissen. ’s Middags gaan we terug aan land om te eten en daarna naar White Rock. Dit is weer een vergelijkbare duikplek, alleen staat het bekend om de enige plek rond Koh Tao waar nog echt schildpadden gezien worden. We worden dan ook gewaarschuwd om de dieren niet te storen.
Onderwater zwemmen we een aantal rondjes rond White Rock, die een echte steen blijkt te zijn. Alleen is hij niet wit, maar dat is verder ook niet belangrijk. De schoonheid van deze wereld is onbeschrijfelijk. Ik kijk mijn ogen uit. Nog nooit heb ik zo iets gezien. Golvend koraal waar tussen honderden minuscule visjes zich verstoppen.
Plotseling zwemmen we harder richting een ander groepje duikers. Als we er eenmaal zijn kijk ik rond maar zie niets bijzonders. Iedereen wijst naar dezelfde plek maar er is niets te zien. Dan zie ik het, nog geen twee meter van me vandaan, recht voor mijn neus zwemt een schildpad, heel rustig met een soort verveelde blik. Hij is gigantisch, bijna anderhalve meter lang. Later blijkt het een Chelonia mydas of green turtle geweest te zijn. De Nederlandse naam klinkt wat gruwelijk en dom, namelijk Soepschildpad. Het is de soort die Koh Tao vroeger(dus nog geen twintig jaar geleden) domineerde.
’s Avonds is het mijn laatste nacht op Koh Tao besluit ik. De volgende dag is mijn cursus afgelopen en ik ben erg benieuwd naar Maleisie. Ik boek een boot reis naar het vaste land en een kaartje in de nachttrein naar Butterworth in Maleisië bij een van de tientallen reisbureaus. Na hier en daar wat prijzen gecheckt te hebben blijken ze allemaal even duur te zijn. Ik ga terug naar de vriendelijkste mensen waar ik een kaartje van krijg. De volgende dag wordt ik om vier uur verwacht voor het reisbureau.
Ik eet een gigantische hamburger met patat bij de Australische pub terwijl ik me, omringd door Australiërs, aan het afgelopen voetbal seizoen vergaap.
In het minuscule winkelstraatje om de hoek ga ik nog opzoek naar een T-shirt en koop er een voor vijf euro. Hierna loop ik nog een boekenwinkel in en kijk even rond. Tot mijn verbazing sta ik voor een rek vol met Nederlandse boeken. Wel allemaal tweedehands boeken waar ik nog nooit van gehoord heb, maar ze zijn er wel. Ik kijk wat door het rek maar zie niets naar mijn interesse en ga weer op bungalow aan.
5
Met mijn tas bepakt en bezakt loop ik voor de laatste keer de weg af naar mijn duikschool. Bij de receptie van de duikschool mag ik de tas stallen tot ik weg ga. Ik kijk op mijn horloge en zie hoe extreem vroeg ik ben. In het restaurantje bestel ik een fruitsalade met yoghurt en kijk naar het nieuws. Een man in een graafmachine rijdt mensen aan in Israel en Íngrid Betancourt is bevrijd van de FARC in Colombia.
Na een uurtje is iedereen er en bereiden we ons voor op de laatste twee duiken.
Met een bootje gaan we naar een grote boot en met die boot varen we anderhalf uur in de richting van het vaste land. Chumpon Pinnacle is de duiklocatie van deze ochtend. Deze naam omdat de locatie dicht bij Chumpon ligt. Alsnog is dat zo’n tachtig kilometer om alle logica maar even achterwege te laten.
Onderweg informeert Ricky ons over de duiklocatie. De Pinnacle is een plek waar heel veel vissen komen, duizenden. Het diepste punt is zo’n dertig meter wat precies de hoogte is waar haaien kunnen komen.
Zelf gaan we niet dieper dan twaalf meter, mede door onze onervarenheid. Plotseling gaat mijn Buddy, Remco over zijn nek. Door al het schommelen van de boot is hij misselijk geworden. Ik sta er bij en hoop dat we vandaag geen oefeningen gaan doen met het wisselen van zuurstof fles zodat ik zijn mondstuk over moet nemen.
Dan gaan we het water in via het anker. Hela heeft last van het druk verschil en komt daardoor niet lager dan vier meter. Na een paar minuutjes gaat het al beter en langzaam kunnen we naar de diepte.
In eerste instantie is het zicht wat troebel, maar daarna is het meteen de mooiste duiklocatie tot nu toe.
We zwemmen rond en het blijkt niet gelogen over de haai. Zo’n tien á vijftien meter beneden ons zwemt er een van zeker anderhalve meter lang.
Na een paar minuutjes en een zeeslang moeten we alweer naar boven en zetten we koers naar de allerlaatste duiklocatie. Green Rock. Dit ligt weer dichter bij Koh Nang Yuan. Het bestaat uit twee rotsen. Een hele grote en een iets kleinere. Met kleine rotsjes en heel veel koraal liggen ze aan elkaar vast. Omdat deze plek minder diep ligt dan de vorige zijn er geen haaien, maar kunnen we wel ter hoogte van het koraal en de vissen komen. Overal zwemmen vissen, grote en kleine. Honderden. Grote maanachtige landschappen met kraters waar vissen zich verschuilen van alle kleuren die er te bedenken zijn. We zwemmen achter Ricky aan en hij laat ons een plant zien. Een soort grote openstaande bloemen lijken het. Met zijn handen maakt hij een stroming waardoor de bloemen dicht klappen en zich intrekken. Zodra hij stopt klappen ze weer uit.
We doen hem allemaal even na en zwemmen dan weer verder langs nog meer vissen, overal waar ik kijk wordt ik erdoor omringd.
Dit is de langste duik die we maken, maar alsnog is het veels te kort zo bijzonder en onrealistisch mooi is deze wereld.
Op het eiland wordt een foto van ons gemaakt en krijgen we ons duikdiploma en een duik log waarin we onze gemaakte duiken kunnen op schrijven.
Met zijn vijven praten we nog na over de duiken die we gemaakt hebben. Als het tien voor vier is verontschuldig ik me en ga op weg naar reisbureau waar een pick-up op mij en twee anderen staat te wachten. Op de stijger duurt het nog een uur voor we vertrekken maar ik heb alle tijd.
Als we eenmaal onderweg zijn en ik verder lees in Choke gaat de televisie opeens aan. Ik heb wel zin in een film dus leg ik mijn boek weg. Het is Iron Man. Had ik nog niet gezien dus dat lijkt me best leuk. Wel apart dat ze hem nu al op dvd hebben terwijl nog maar net in de bioscoop draait, het zal vast een illegale versie zijn.
Ik ga er lekker voor zitten en ben blij dat er Engelse ondertiteling bij zit vanwege al het omgevingslawaai. Die laatste woorden trek ik terug. Ik ben niet blij dat er ondertiteling bij zit, ze slaan namelijk totaal nergens op. Werkwoorden staan op de verkeerde plek, net als de persoonlijk voornaamwoorden en de rest. Dan heb ik het nog niet eens over de vertaling. Mijn idee klopte dus, illegaal is het zeker en de ondertiteling is zeker niet gemaakt door een Engels persoon.
Ik probeer verder te kijken maar het is moeilijk om de ondertiteling te negeren, dus ik pak mijn boek maar weer.
Als we eindelijk aanmeren op het vaste land word ik, samen met nog een aantal mensen in een klein busje gepropt. De rest gaat in een grote bus met de bestemming bankok. Wij zijn de mensen die richting Chumpon gaan. We rijden weg en een half uurtje later stoppen we ergens midden in Chumpon. Niemand snapt precies waarom, tot dat er een vrouw naar ons toe komt en ons uitnodigt in haar restaurant.
Aha! Goede zet, wij eten bij het restaurant, want ja wat moet je anders en de bootmaatschappij krijgt een extra centje van het restaurant. Ik besluit me er bij neer te leggen als de vrouw verteld dat we ieder een lift krijgen naar het station als we weg moeten.
Ik eet een heerlijke portie Pad Thai voor wie weet wel de laatste keer. Dit is tenslotte mijn laatste dag Thailand. Mijn trein vertrekt pas om kwart voor tien terwijl het nu nog geen half zeven is. Ik eet wat uitgebreider dan normaal, lees wat en peuter in mijn neus. Half acht.
Het restaurant ligt aan een brede lange weg met veel drukte, het lijkt er niet op dat ik snel zal verdwalen dus maak ik een wandelingetje op en neer. Op een grote overdekte nacht markt koop ik een potje tijgerbalsem voor mijn vader en loop weer aan de overkant terug. Een über westers internet café met heel veel gebak trekt mijn oog, vanwege het internet.
Het is negen uur en ik ben zo wel klaar met mijn tijd te verdoen. Terug in het restaurant vraag ik hoe laat ik opgehaald wordt. Soon! Soon! Soon! Is alles wat de mevrouw zegt dus ik pak mijn boek en lees een beetje, wel onrustig opkijkend of ik mijn ritje niet mis.
En half uur later ben ik eindelijk op het station. Binnen vijf minuten moet de trein er zijn dus ik ga geduldig zitten wachten. Een half uur later zit ik nog steeds op dezelfde plek. Ik ben niet de enige die wacht, dus de trein heb ik in ieder geval niet gemist.
Op ieder treinstation in Thailand waar ik geweest ben, is een overvloed aan conducteurs en andere medewerkers. Als er geen trein is hebben ze dus niets te doen. Vijf meter van het bankje waar ik op zit staan ze in een groepje te lachen. Een aantal kijken wat nerveus rond, maar de rest doet alsof ze de enige in de wereld zijn. Ik begrijp niet zo goed wat ze aan het doen zijn tot ik uit mijn ooghoek een telefoon zie waarop een “wat”erotische film wordt afgespeeld. Iets wat mij nogal verbaasd, aangezien bloot en seks nogal een taboe is in dit land. Vandaar ook de nerveuze blikken van enkele collega’s
Een uur te laat komt de trein uiteindelijk binnenrollen. Ik zoek mijn wagon en kom terecht in een ruimte met zo’n vijftig bedden, met een klein onder kleren en andere rommel bedolven gangpad. En overal waar ik kijk zie ik tieners van mijn leeftijd of jonger. Ik vind mijn prachtig opgemaakte bed met gordijntjes onder dat van een meisje van een jaar of vijftien. Ondanks het lawaai in de trein slaap ik als een roos.
6
’s Ochtends om een uur of acht word ik pas wakker van het lawaai in de wagon. Ik kijk onder mijn voeten of al mijn bezittingen nog wel mijn bezittingen zijn en ga weer rustig achterover liggen.
Boven mijn bedje zitten twee knopjes. Eentje voor het licht denk ik en een andere voor iets anders. Ik druk de rechter in en er gebeurt niets. Het zelfde resultaat geld voor de ander. Na dat ik beiden nog een aantal keer in gedrukt heb zie ik onder het bedlampje zelf nog een knopje zitten. Aha! Logisch!
Pas later bedenk ik me wat de andere knopjes zijn. Of tenminste een van de twee; de steward(es). Gelukkig zijn er al voor me mensen geweest die de knopjes misbruikt hebben waardoor er niet meer gereageerd wordt.
Een half uurtje later hoor ik harde bonken en geklap en besluit door mijn gordijntje te spieken. Tegen over mijn bed staan plotseling vier stoelen in plaats van twee bedden. En verder op ook. Best bizar, dat was gisteren nog niet. Ik ga naar het toilet aan de andere kant van de wagon en passeer tientallen schoolkinderen en drie Engelsen die ik vriendelijk terug groet.
Als ik terug kom, is mijn bed ook verdwenen en verderop zie ik een meneer een bed afhalen en prachtig inklappen tot vier stoelen. Het meisje dat boven mij sliep is inmiddels wakker en zit op een van de stoelen. Ik knik naar haar en ga tegenover haar zitten met mijn boek. Elke drie seconden komt er een van haar klasgenootjes dol enthousiast met een soort boekje bij haar met de vraag of ze er iets leuks in wil zetten.
En jawel, ik kan het verstaan. Want, ondanks dat Maleisië haar eigen taal heeft (Bahasa Malaysia) is dat niet de enige gesproken taal. Bijna een kwart van de Maleisiërs is Chinees wat dus tamelijk overheersend is, zowel in cultuur als taal. Voor officiële gebeurtenissen en zakelijkheden wordt er Engels gesproken. Net als op school. Dus ook op een schoolreisje in de trein.
Dit alles wordt me verteld door het meisje dat, net als de rest van de kinderen Maleisisch blijkt te zijn en op de terug weg is van een uitwisseling in Bangkok.
Hierna gaan we verder in gesprek en natuurlijk vraagt ze het gebruikelijke. Wat ik hier doe, waarom, voor hoelang, waarvandaan en waar ik heen ga. Zij blijkt inderdaad vijftien te zijn en wonend in Georgetown, de hoofdstad van de provincie Pengan. Wat ook mijn einddoel voor vandaag is.
Verbaasd dat ik ben over dat deze mensen al zo goed Engels spreken blijkt het meisje ook nog eens in Nederland te zijn geweest. Wel toen ze nog maar een jaar of drie was. Maar goed, ze is er geweest.
De reis duurt nog een uurtje voort als we moeten stoppen voor de grens overang in Padang Besar, een klein provinciestadje precies op de grens.
Hier mogen we er allemaal uit om met ons passpoort in de rij te gaan staan op weg naar Maleisië. Het douane gebouwtje bestaat uit twee verdiepingen. De bovenste voor Thailand uit. De onderste voor Maleisië in. Omdat ik vrij voorin de rij sta mag ik snel door.
Mijn bagage wordt gecheckt door een douanier. Dat houdt in dat iemand een blik werpt op mijn trui die bovenop mijn tas ligt en me dan doorstuurt naar de Maleisische douane. Daar mag ik zo door lopen en op weg naar buiten koop ik met mijn eerste ringgits een grote fles water. Na nog eventjes in de trein te hebben gewacht op de rest van de passagiers rijden we weer verder.
Intussen is elk bed omgetoverd tot twee stoelen waardoor er meer plaatsen zijn dan personen. Mij en het meisje maakt het niets uit, zo hebben we meer ruimte. Maar helaas duurt dat niet lang. Het eerste Maleisische station waar we stoppen blijkt een populaire te zijn. Zeker honderd behoofddoekte?????????? moslim meisjes stappen in waardoor de wagon meer dan overvol is. Naast mij zitten twee meisjes met nog iemand op schoot en daarom heen kan ik niet eens tellen. Volslagen overrompeld kijk ik om me heen. Dit is wel een heel directe manier om kennis te maken met een moslim land.
Gelukkig duurt de drukte niet lang. Het volgende station is ook weer de uitstapplaats van de meisjes.
Uiteindelijk rijden we om half één industriestad Butterworth binnen waarna ik afscheid neem van het meisje en bepakt en bezakt opzoek ga naar de boot. Die blijkt niet ver te zijn en na een kwartiertje mogen we al aanboord.
En natuurlijk is dat een mooie timing om naar de wc te moeten. Ik kijk om me heen en zie dezelfde Britten van in de trein. Aan hen vraag ik of zij een paar minuutjes op mijn spullen willen letten. Dat willen ze wel en een paar minuutjes later ben ik weer terug. Of ik bij ze wil zitten? Ja hoor, mij best.
De Britten in kwestie blijken Jade, Dimi(tri) en Zarah te heten. Jade en Dimi zijn allebei net als ik op reis te zijn. Ook door Thailand, Maleisië en Singapore. Alleen zijn zij ook nog in het hoge noorden geweest. Zarah zijn ze ook maar per toeval tegen gekomen. Zij is lerares Engels in een dorp nabij Petchaburi ten zuiden van Bangkok. Maar moet vanwege het verlopen van haar visum een nieuwe aan vragen en mag dus een weekje met vakantie in Maleisië. Ze kwamen elkaar tegen in de trein hier heen en besloten een paar dagen samen op te trekken.
Met zijn vieren kijken we naar de skyline van Georgetown. Jawel, de skyline. Een van de laatste dingen die ik had verwacht hier. Nou komt dat ook omdat ik niet zo veel heb gelezen over Georgetown en Pengang. Georgetown blijkt ook wat groter te zijn dan ik had gedacht. Met vierhonderd duizend inwoners en meer dan een miljoen met de omliggende steden mee gerekend is het zowaar een wereldstad. Waar dus ook een skyline bij hoort.
Als we van de boot komen wordt er bijna meteen vanuit gegaan dat ik met de drie Britten mee ga. Ik had al een hostel uitgekozen met een aantal omliggende hostels als tweede optie. Daar gaan we dus maar heen. Niet met de taxi want dat is te duur. “Taxi’s are a huge rip-off” volgens Jade.
Dus we gaan lopen? Dat moet wel, maar waarheen weet Jade niet. Ik wel, maar ik hou vrolijk mijn mond en laat het hem maar uitzoeken. Uiteindelijk lopen we toch maar terug naar de taxi standplaats en brengt de taxi ons naar de hostelstraat. Bij een Rastafari kloppen we aan. Helaas zit hij vol maar hij verwijst ons door naar een ander hostel. Die hebben nog wel een kamertje. Met twee tweepersoons bedden. We betalen ieder vijftien Ringgit(drie euro) en we mogen een nachtje blijven.
Ik sterf van de honger en aan de overkant zie ik een klein winkeltje. Het staat vol met fishcrackers en allerlei onbekende frisdranken. Ik ga voor een zak fishcrackers. Al snel kom ik erachter dat het niet het zelfde is als kroepoek. Gadverdamme wat is dat onsmakelijk.
Gelukkig gaan we niet lang daarna opzoek naar wat te eten en daarna een plek om uit te gaan. Want dat willen de Britten graag en ik vind het allemaal best. De hotelmanager wijst ons op een straatje waar veel restaurantjes zijn.
Het straatje vinden we niet, maar wel een gigantisch winkelcentrum met een restaurantje waar we eten. We nemen onze tijd terwijl we over ditjes en datjes praten. Dan gaat het gesprek natuurlijk over op mijn thuisland. Nederland. En wat typisch Nederlands is volgens de Engelsen; Wiet. Ik beantwoord hun vragen over het magische spul en of ik het vaak gebruik. Dan neemt het gesprek weer een onverwachte wending.
Of we het hier misschien ergens kunnen krijgen? Misschien bij de Rastafari van dat ene hostel? Als het ergens kan, dan wel bij hem toch?
Ik hoor het gesprek eventjes aan maar besluit toch maar te zeggen wat waar is. De doodstraf staat op het verhandelen en/of gebruiken van wiet. Het lijkt ze niet te storen dus laat ik ze maar lekker praten. Ik doe het liever thuis.
Als na gerecht gaan we naar de welbekende Irishpub. Want ook die hebben ze in Maleisië. Op het terras met grote houten banken en tafels zitten we van onze Guinness te genieten. En van onze tweede Guinness en als laatste onze Chang.
Uiteindelijk is het half tien en gaan we opzoek naar een taxi die ons kan vertellen waar we uitkunnen gaan. Uiteraard krijgen we het antwoord “Somewhere over there, I can bring you! Only thirty Ringgit.”
“Just tell us where to go and we’ll walk” Is ons antwoord.
“No, I can’t explain and it’s so far. To far to walk, really.”
Na nog wat heen en weer gezeur gaan we toch maar in op zijn aanbod, mits het ons maar vijftien Ringgit kost.
“No, no no. Thrity Ringgit.”
“No, nono. Fiftheen Ringgit.” Zegt Jade sarcastisch
Als we twintig Ringgit bieden en de taxichauffeur er nog niet op in gaat besluiten we maar in de door hem aangewezen richting te lopen. Maar, plotseling gaat hij toch in op onze twintig Ringgit.
In Jin Penang worden we afgezet. Alles ziet er nog niet uit alsof het open is dus lopen we een rondje. Dus we gaan nog maar een cafeetje in met de naam Opera. Daar bestellen we een emmertje Heineken. Daarbij komt een rare mevrouw die om de zoveel tijd een flesje komt openen zonder het te vragen.
Zo zitten we nog een hele tijd. We praten over welke muziek beter is(Rock of Dance). Welk land beter is(Maleisië of Thailand) Waarom Heineken altijd overal te krijgen is. En we kijken naar Maleisische Cricket.
Als we hier weg gaan zie ik het al niet zo erg meer zitten. Maar ja, ik moet mee. Nederlanders zijn de beste feestgangers, zo schijnt.
Tegen over de Opera zit een clubachtig ding genaamd Coco’s we kijken wat rond en worden gelijk al aangesproken door een overenthousiaste man in een prachtig pak.
“For just thirty Ringgit you can come in! And you get a bucket of wodka mix for free!!!”
Dat is nou niet zo duur als je bedenkt dat je voor hetzelfde bedrag in Nederland misschien net twee biertjes kan kopen.
Voordat ik het weet gaan we er op in. Een stempel slaat op mijn hand en we krijgen een tafeltje aangewezen.
Nu moet ik eerlijk zijn. Van de volgende uren weet ik niet veel. Enkel een live band die me heel erg aan de Japanse The 5.6.7.8’s(Uit Quentin Tarantino’s Kill Bill) deed denken, andere geplaybackte nummers. Dat de wodka gemixt was met cola en 7-up. En dat ik zo trots was dat ik zo veel aan het drinken was in een land waar je eenentwintig moet zijn om te kunnen drinken en nog een Moslimland is ook.
Om een uur of twee zat ik alleen in een veels te dure taxi naar het hostel. Daar aangekomen zwaai ik de aardige onverstaanbare chauffeur uit en kom er achter dat ik voor een dichte deur sta. Ik klop op de deur en hoor wat lawaai. Nog een keer kloppen dan maar. Het lawaai komt harder terug. Misschien kan ik het verstaan als ik nog harder klopt. Ja hoor:
“Around the back!” is het lawaai dat achter de dichte deur vandaan komt.
Ik kijk om me heen en zoek het zijstraatje dat naar de achterkant leid.
Niet lang daarna slaap ik als een os.
De volgende ochtend ben ik niet meer alleen op de kamer en voel me nog beroerder. Ik ga met een zwaar hoofd naar het toilet en als ik terug kom is de rest ook wakker. Met zijn vieren gaan we ontbijten.
Teminste, met zijn vieren gaan Dimi en Jade ontbijten. Ik bestel een kopje thee en drogetoastjes. Dimi en Jade gaan totaal los met een gigantisch Engels ontbijt met bonen, champignons, eieren en dikke lagen boter.
Zarah houdt het bij een al dan niet bescheiden toastje met eieren.
Als ik er naar kijk voel ik me nog beroerder en bestluit vandaag maar even rustig aan te doen. De rest wil naar het beroemde Batu Ferringhi strand(iets wat beroemd is om al zijn vervuiling en uitzicht op olietankers).
Een uurtje later checken we uit het hostel en nemen we afscheid. Geen van drieën heb ik ooit meer gezien. Ikzelf boek in hetzelfde hostel een nieuwe één persoonskamer die ik de rest van de dag bijna niet meer uit kom. Ik lees mijn boek en schrijf mijn kaarten naar mijn ouders, zus, vriendin en oma.
Verder breng ik ook mijn was naar de receptie. Want dat was langzamerhand wel eens nodig.(de volgende dag krijg ik het gestreken, vacuum verpakt en brandschoon voor maar vier euro vijftig terug.)
’s Avonds eet ik heel erg goed in het hostel. Dat is dan ook iets waar de Penangers en met namen de Georgetowners bekend om staan. Eten. Met mezelf spreek ik gelijk af morgen opzoek te gaan naar een heel goed restaurant.
Mijn trouwe vriend de Lonely Planet staat boordevol met tours door steden met leuke weetjes en dingetjes. Deze trouwheid is helaas niet altijd wederzijds. Ik lees soms dingen niet die achteraf wel leuk geweest zouden kunnen zijn. Dus vandaag pak ik het eens goed aan.
Een van de tours in Georgetown heet de Colonial Tour en vandaag ga ik die doen. Onderweg is een postkantoor dus dat komt mooi uit voor mijn nog te versturen kaarten. Op het postkantoor kost het versturen van een kaartje naar Nederland drie Ringgit, evenveel als het versturen van een kaartje binnen Nederland.
Hierna begin ik aan mijn tour. Via een historische Britse klokkentoren loop ik langs fort Cornwallis, het oude- en het nieuwe stadhuis. Het 2e wereldoorlog monument(want ook hier is heftig huisgehouden door de Japanners) leidt me via de oudste kerk in Penang naar het Penang museum. Waar ik leer over het Multiculturele Maleisië. Voornamelijk de Britten zijn lang heerser geweest in deze provincie.
Hier na neem ik de bus naar Air Itam waar de grootste Boeddhistische tempel van Maleisie staat. Half ingebouwd in Bukit Bendera en nergens aangewezen met een bordje.
Omdat de tempel wat bergopwaarts ligt besluit ik via “een weg” maar bergopwaarts te lopen. Ik kom langs wat verlaten hutjes, honden en auto’s maar zie verder niets nuttigs. Dan maar weer terug. Aan een meneer met een grote snor vraag ik de weg. Hij wijst naar een smal bruggetje tussen twee huizen niet ver vanwaar we staan.
Daarbinnen loopt een lange weg omhoog met links en rechts winkeltjes met prulletjes en dingetjes. Ik koop een gouden zwaaiend chinees katje voor een paar Ringgit en loop weer verder. Uiteindelijk kom ik bij een soort rotonde met nog meer winkels. In het midden is een vijvertje met een torentje. In het vijvertje liggen zo’n vijfhonderd plus schildpadden. Naast elkaar, op elkaar, onder elkaar en op nog meer vreemde manieren. Het ziet er nogal komisch uit geen van de beestjes kan zich fatsoenlijk omdraaien, laat staan zwemmen.
Aan de andere kant van het vijvertje gaat de rotonde verder naar de tempel. De tempel geeft een geweldig uitzicht over de oostkant van het eiland. De gigantische toren in het midden van Georgetown is samen met het vaste land het enige wat ik herken.
De tempel is verder niet heel erg indrukwekkend. Niet veel later ben ik weer terug bij de schildpadden rotonde. Bij een van de winkeltjes koop ik een potje tijgerbalsem en ik ben weer op weg naar de bushalte. Hoewel ik honger heb ga ik toch maar terug naar het centrum en ga daar rustig opzoek naar een restaurantje.
Ik loop vrolijk door Lebu Citra in het centrum als de lucht plotseling donker betrekt. Als de eerste spetters vallen bedenk ik dat ik maar beter even ergens kan gaan eten. Ik duik het eerste Chineesrestaurantje in dat ik tegen kom, als het water met bakken uit de hemel komt gevallen. Het restaurantje is een typisch Chinees Maleisisch restaurant; het uiterlijk is een weerspiegeling van het eten. Kale muren met hier en daar een niets zeggend schilderijtje, plastic stoeltjes en een gigantische rommelige keuken waar de heerlijkste maaltijden worden gemaakt.
Ik neem plaats aan een van de zes tafeltjes. De kaart die ik mijn handen gedrukt krijg staat vol met verschillende maaltijden. Ik kijk rustig om mij heen en zie de slager staan hakken in een stuk vlees. Naast hem hangt een eend aan een haak en besluit dat ik maar geen eend neem. Toch weet ik onbewust dat de rest van het vlees niet beter wordt bewaard. Omdat ik ook eens wat anders wil dan Chicken-rice bestel ik kip in zoetzuur saus met een cola. Ik verdiep me in mijn Lonely Planet terwijl drie minuten later mijn eten al wordt geserveerd. Ik eet rustig en hoop dat de regen niet te lang aan houdt.
Het eten is heerlijk, de lonely planet heeft niks gelogen. Maar als de regen stopt en alleen nog wat na druppelt pak ik mijn tas, betaal en wil naar buiten lopen. De straat staat echter totaal blank. De eigenaar van het restaurantje lacht me uit.
“You don’t want wet feet!” zegt hij grijnzend. En het is nog waar ook, helemaal vanwege de open riolen hier en het niet helende wondje in mijn voet van Koh Tao.
“No! Does this happen a lot?” vraag ik de eigenaar.
“A couple times a year and it depends on which street.”
Ik knik een staar naar het water.
“Where are you from?”
“Holland.” Zeg ik, “Will it float away?”
“In half an hour maybe.”
Nog even blijf ik staan en zie dat het water weg zakt. Een dure auto komt aan gereden en stopt voor het restaurant. Drie jongens die uit het restaurant kwamen stappen heel moeilijk de auto in maar worden toch nat. Ik loop terug naar binnen en bestel nog maar een cola.
Eindelijk kan ik weer over de straat lopen. De vorige dag zag ik een mooi T-shirt hangen en besluit dat te gaan halen. Ik ga naar hetzelfde winkelcentrum als twee dagen terug en koop het shirt. Verder loop ik nog even over de telefoon afdeling waar letterlijk elke telefoon die gemaakt is tussen 1990 en nu te koop is. Dan zie ik de bioscoop helemaal boven in. De film Hancock draait nu. Naast de bioscoop is dezelfde film ook illegaal te koop voor een paar ringgit. Ik ga toch maar voor de bioscoop en voor één euro twintig mag ik naar binnen.
Één euro twintig! Totaal verbaasd loop ik naar binnen. Gelukkig is de film nog in het Engels ook met Maleisische ondertiteling.
’s Avonds eet ik al vroeg bij mijn hostel en zie ik (wonderbaarlijk genoeg) voor het eerst een kakkerlak. Naar bed ga ik ook vroeg want mijn wekker staat om half vijf ’s nachts.
Wednesday, January 14, 2009
Deel 1 van mijn verhaal: versie 0.1
1
Mijn tas is gepakt, ik heb net mijn diploma uitreiking gehad. Nu is het 26 juni, een uurtje of 5. Ik sta in de rij bij de incheckbalie van British Airways. Mijn ouders en zus staan een paar meter verder op net buiten de rij. Met tierepjes maak ik de ritsen van mijn rugzak aan elkaar vast zodat ze tijdens de reis in het vliegtuig niet los gaan. Ik blijk maar drie ritsen te hebben dus het valt mee.
Als ik aan de beurt ben geef ik mijn paspoort aan de mevrouw achter de balie. Ze print mijn ticket uit en ik leg mijn tas op de band. Ik moet mijn tas naar de speciale “backpack band” brengen. Ik pak mijn tas weer en loop er heen. De tas gaat in een bak en wordt gewogen. Net geen vijftien kilo.
Na nog wat gedronken te hebben met mijn ouders en zus moet ik afscheid nemen. Toch moeilijker dan ik had gedacht. Ik moet wel een paar keer slikken en ga dan vol met zenuwen door de douane.
“Waar ga je heen?”
“Londen” zeg ik zo opgewekt mogelijk.
“Hier staat Thailand” zegt de douanier geforceerd boos.
“Ja, daarna ga ik naar Thailand. In Londen stap ik alleen maar over.”
“En wat ga je in Thailand doen?” vraagt hij ongeïnteresseerd.
“Vakantie houden en dan door reizen naar Maleisië, Singapore en Australië.”
“Dus je gaat niet alleen naar Thailand?” Zegt hij nors.
“Nee, naar nog veel meer.”
Ik wil bijna toevoegen dat hij dat niet vroeg maar bedenk me en ik mag doorlopen.
Meteen al heb ik vertraging. Één uurtje, maar dankzij de onbetaalbare sierraden, tv’s en camera’s vermaak ik me prima.
Dan kan ik instappen en eindelijk aan mijn reis beginnen richting Bangkok, de buitenlandse naam voor Krung-Thep of de officiële naam Krung Thep Maha Nakhon.
In het vliegtuig kijk ik op het kaartje waar we zitten. Vlak boven Birma of Myanmar, hoe je het ook noemt. Jawel, er boven. Er op zou veel logischer zijn. Dan vliegen we namelijk niet om. Ik kijk goed hoe het vliegtuig de grens volgt en bedenk me dat Birma, die geen hulp toe laat voor de slachtoffers van de Cycloon Nargis ook geen vliegtuigen boven zijn grondgebied wil hebben. Als of het nut zou hebben als ik mijn kleffe boterhammetje uit het raam zou gooien.
Een paar uur later, als we al voorbij Chang Mai zijn beginnen we te dalen. Eindelijk denk ik. Gelukkig heb ik zat beenruimte. Ik zit aan de voorkant van een rij stoelen. Lekker ruim dus. Dan begin ik gebouwen te zien, omgeven door bruin beigeachtige smog. Nog geen kwartiertje later rijden we de gate in op Suvarnabhumi Airport in Bangkok.
Het eerste wat me opvalt aan het vliegveld zijn de gigantische portretten van de Koning die bij elke gate hangen. De koning is alles in Thailand, ik citeer uit de lonely planet: “De koning wordt beschouwd als een heilige. Lik nooit aan een postzegel waar de koning op staat. Als je geld valt, ga er niet op staan en bewaar het niet in je schoen of sok.”
Alle gates waar ik langs loop zijn verlaten, op de onze na. Ik loop richting de douane over de spiegelgladde vloer waar ik mezelf in kan zien. Alles is gloed nieuw en amper gebruikt. Totaal niet wat ik had verwacht van Thailand.
Aan het einde van de terminal geef ik mijn passpoort aan de douanier. De mevrouw vraagt iets in het Thai aan me. Ik weet niet wat ze bedoelt en gok erop dat ze wil weten wanneer ik het land weer verlaat, aangezien ik maar dertig dagen mag blijven. Ik laat haar mijn ticket schema zien en wijs aan wanneer ik weg ga. Blijkbaar wil ze iets anders weten want ze duwt de papiertjes terug in mijn handen.
Omdat ik niet kan bedenken wat geef ik haar maar alle relevante dingen. Ze pakt mijn ticket en tikt dingen in de computer.
Oh, zeg dat dan, denk ik bij mezelf.
Als ik mijn bagage heb opgehaald kan ik zo doorlopen. Geen controle van mijn tassen, geen honden en ook geen beveiliging. Iets wat ik toch wel had verwacht met alle drug smokkel in dit land.
In de aankomst hal krijg ik een paar aan biedingen van hotels, taxi’s, massages, restaurants, tours, vliegtickets, treintickets, bustickets en ga zo maar door.
Behalve dat ik deze mensen totaal niet vertrouw had ik al bedacht met de stadsbus naar mijn geboekte hostel te gaan, dus negeer ik alle aanbiedingen.
Bij de bus aangekomen ben ik de enge westerling. Een aardige man in uniform helpt me mijn bus te zoeken. In de overweldigende hitte laat ik vier bussen voorbij gaan, tot de aardige man me een seintje geeft. Eenmaal in de bus komt de conductrice naar me toe. In haar handen heeft ze een aluminium buis. Daarin zit geld en de kaartjes. Alle kaartjes zijn hetzelfde, de manier waarop ze gescheurd worden maakt hoever je mag rijden. Ik betaal met 100 Baht (2 euro) en ze vraagt, denk ik, waar ik eruit moet. Ik begin in mijn lonely planet te bladeren. Op het kaartje wijs ik aan waar en ze kijkt er lang naar. Dan geeft ze me een verscheurd kaartje en wisselgeld.
Even later rijden we op de snelweg. Elke honderd meter rijst er een gigantische wolkenkrabber uit de grond, omringd door krottenwijken en hutjes. Met tv-schotel. De conductrice komt naast me zitten en brabbelt in het Thai. Als reactie op haar gebrabbel antwoord ik “I don’t know”. Dan slaat ze een paar keer op mijn tas. Ik denk verder en haal mijn lonely planet eruit, blader naar het kaartje en wijs dezelfde plek weer aan. “Democracy monument”zeg ik en ze snapt het niet. De straatnaam begrijpt ze ook niet. Toch knikt ze uiteindelijk en “schijnt”ze het te begrijpen.
Ik kijk naar buiten naar de honderden reclame borden in het Engels en snap niet voor wie die borden zijn bedoelt als deze vrouw al geen Engels kan praten. De meeste reclames gaan over computer onderdelen, eten en hotels. Een aantal vind ik nogal bizar: “Non exploding engines.”
Democracy Monument herken ik van plaatjes en ik stap uit. Rond om het monument, dat staat voor de bevrijding van de Birmezen liggen enorme avenues. Ik volg het kaartje van mijn Lonely Planet en loop zo naar mijn Hostel dat westelijk van Kao San Road ligt, de meest toeristische straat van Thailand. Drie keer loop ik mis maar ik vind het uiteindelijk toch. Ik check in een ga naar mijn kamer op de derde verdieping. In het trappenhuis hangen blaadjes van mensen die spullen zoeken, reclames van restaurants en bars en een paar keer in koeienletters, dat het verboden is om prostituees mee te nemen.
Erg uitgebreid en mooi is mijn kamer niet: een spiegel, stoel, kapstok, tafeltje en een bed zonder laken. Er ligt een prijslijst met dingen die ik kan huren, van een laken en kleren tot een tweede bed. Ik ga weer naar beneden en vraag een laken dat ik gek genoeg gratis mee mag nemen.
Na even gerust te hebben heb ik honger en dorst. Richting Kao San Road is veel te eten en te drinken. Ik koop een fles water en haal een maaltje genaamd Pad Thai, wat ik in deze vakantie nog vaak zal eten.
Kao San Road is me wel een bizarre straat. Er wordt van alles verkocht, illegale Britney Spears Cd’s, T-shirts van Metallica, illegale Lonely Planets, echte Lonely Planets, rijbewijzen, paspoorten, eten en drinken. Ook worden er middelbare school diploma’s aangeboden. Had ik ook kunnen doen, dan had ik hier een paar jaar eerder kunnen zijn.
Het is de tropen, dus in een klap is het pik donker. Meteen voel ik hoe moe ik ben, ook al is het nog niet eens acht uur. Ik besluit maar terug te gaan naar mijn kamertje en wat te lezen. Daar reken ik ook uit hoeveel ik tot nu toe heb uitgegeven. De wisselkoers van het moment is vijftig Baht voor één euro. Kosten tot nu toe; negentig Baht. Oftewel één euro tachtig.
Om negen uur houd ik het niet meer vol en val in slaap.
2
Om zeven uur ’s ochtends loop ik in zuidelijke richting. The Emerald Buddha is het eerste toeristische object dat ik wil bezichtigen. De weg is niet lastig, een lange boulevard van een kilometer of drie en ik ben er. Onderweg kom ik een vriendelijke meneer tegen die met mij een leuk gesprekje begint. Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Wat doe ik hier? Hoe oud ben ik? Ben ik niet veel te jong? Na een tijdje verteld hij me wat ik moet zien hier in Bangkok. In mijn lonely Planet wijst hij van alles aan. Of hij er in mag schrijven? Ja, waarom niet. Ik vind het best en besluit alles later nog maar eens op te zoeken als ik ergens rustig zit.
De vriendelijke meneer vindt echter dat ik meteen alles moet zien. Met een tuktuk! Want die zijn snel en goedkoop. Ik bedank hem maar uit het niets staat er al een tuktuk naast ons. Eventjes ben ik overrompeld maar ik besluit weg te lopen in de richting van mijn Emerald Buddha.
Ik was al gewaarschuwd over de vriendelijke afzetterijen waar de Thai om bekend staan.
De Emerald Buddha, die wat ik later hoor helemaal niet van Emerald is gemaakt maar van “een” kwarts steen is met zijn totaal niet imponerende grote van negentig centimeter erg mooi. Het complex van een aantal vierkante kilometer waarin de tempels van de Boeddha liggen grenst aan het Grand Palace van de Koning. Het paleis wordt, nog meer als alle tempels zwaar bewaakt. Waarschijnlijk vanwege alle toeristen. Als ik het complex binnen kom wordt ik dan ook verzocht mijn broekspijpen naar beneden te doen.
Na een paar uur om de tempels te hebben gelopen en geprobeerd mijn rug niet naar de Boeddha toe te keren vind ik het wel welletjes. Buiten gekomen koop ik een grote fles water want ik stik van de dorst.
Dan op naar het station. Ten eerste om te zien hoe de treinen hier precies werken en vanwege China Town dat daar om de hoek zit. Na nog geen tien minuten gelopen te hebben(ik loop nog steeds langs het Complex van de Emerald Buddha) spreekt een meneer mij aan. Na weer al het gebruikelijke gevraagd te hebben gaat het weer over waar ik heen wil. Ik laat hem een mijn lonely planet zien en hij vraagt of hij op het kaartje(wel een ander kaartje) mag tekenen. Ik knik en voor dat hij over de tuk tuk begint die al naast ons staat groet ik hem vriendelijk en loop weg. Op het kaartje staat precies het zelfde als de andere vriendelijke meneer mij al had gesuggereerd. Alles staat alleen op een andere plaats…
Nog eens tien minuten later lijkt het wel alsof ik door een zonesteek geraakt ben. Ik besluit toch maar een tuk tuk te nemen naar het station, dit keer uit eigen beslissing. Wat een geweldige beslissing. Even later ben ik bij het station voor nog geen een euro vijftig. In het station is het niet al te druk. Ik koop een kaartje naar Ayutthaya, een stad ten noorden van Bangkok voor de volgende ochtend.
Chatuchak Weekend Market is één van de dingen waar je geweest moet zijn als je in Bangkok bent. Ik besluit er dus ook heen te gaan. Met de gloed nieuwe metro lijn die samen met het vliegveld een van de infrastructurele verbeteringen is van Thailand de afgelopen jaren.
Chatuchak is de grootste markt ter wereld. Het bestaat uit zevenentwintig delen waar kleren, eten, bloemen, cd’s, dvd’s, sierraden, schoenen, slippers, Chihuahua’s, handschoenen, rommel en ga zo maar door wordt verkocht. De markt heeft wel geteld vijftien duizend kramen.
Omdat de markt alleen in het weekend geopend is ben ik niet de enige. Maar tussen de overdekte kraampjes van een bij een meter met voetpaden van een halve meter is het nog altijd koeler dan buiten in de zon. Ik kijk rond, koop een shirtje voor een euro en besluit maar eens te gaan eten.
Een klein half uurtje later ben ik voldaan en door mijn plastic stoeltje heen gezakt en ga nog maar eens rond lopen.
Dan heb ik nog een wens voor Bangkok: een Skybar bezoeken.
Omdat Bangkok veel laagbouw heeft met af en toe een wolkenkrabber, is er prachtig uitzicht vanuit die wolkenkrabbers. Boven in de torens zitten barretjes waar je wat kan drinken terwijl je naar de smog kijkt. Heb ik altijd al eens willen doen. Met de Skytrain reis ik zuidwaarts naar een gebied waar een aantal grote gebouwen staan. In de trein zit ik naast een jongen van ongeveer mijn leeftijd, tegenover hem zitten zijn twee vriendinnen. De ene ziet er redelijk normaal uit, de ander is zo mager en bleek als een lijk. Het gesprek gaat na een tijdje duidelijk over mij, maar ik probeer te doen alsof ik niets merk. Na een aantal stations stapt de jongen uit. De meisjes blijven tegenover me zitten. Ik schuif door naar het raam en de dames halen de poederdoos te voorschijn. Meteen zijn ze allebei zo bleek als een spook. Ik lach in mezelf om hoe bleek de mensen hier willen zijn en hoe zon gebruind de Nederlanders willen zijn.
Langs een enorme avenue en een trottoir van een halve meter breed staan de ingangloze gebouwen. Ik kan nergens een ingang vinden, alleen maar ingangen naar parkeerplaatsen. Een opzichter vraagt of hij me kan helpen en ik vraag hem waar de Moon Bar at Vertigo is. - Deze had ik er uitgepikt vanwege het goedkope drinken. - De opzichter moet me teleurstellen, de bars zijn gesloten en gaan pas om negen uur open. Dan lig ik al in mijn bed ben ik bang, denk ik bij mezelf. Ik loop het hele eind terug en verzin iets om de komen de uren nog te doen. Mijn vertrouwde lonely planet raad me Siam Square aan. Dit plein dankt zijn naam aan de oude naam van Thailand. Het plein is omringd door gigantische winkelcentra. Daar tussen, daar door, daar over en daar om heen rijd de Skytrain. Die neem ik dan ook als vervoermiddel.
Verbaasd ben ik over de prijzen van kleren in de winkelcentra. Ze zijn even duur als in Nederland. De mensen hier zijn dus nog merk gerichter dan in de westerse wereld. Het zal schijnbaar wel verkopen ook al ligt er een markt verder op met de even goede nepper versie maar dan een tiende van de prijs. Met bruggen zijn alle winkelcentra verbonden. Op een gebouw ligt een klein parkje met een fontein waar alle tieners het hele weekend rond hangen. De rijke tieners tenminste en dat zijn er maar weinig.
Uiteindelijk vind ik het wel welletjes en loop beneden het MBK (Mahboonkrong) Shopping Centre uit als er aan me wordt gevraagd of ik een taxi wil. Ook al wil ik graag terug naar mijn hostel, ik denk de stoere toerist te zijn die nee zegt en loop door.
Oke, ik wil toch wel een taxi, maar alleen omdat er geen tuk tuk’s zijn. Achterop de motor? Nou nee bedankt.
“Taxi?” Ja, vooruit dan maar
“To Kao San road”zeg ik
“200 Baht” stelt de man voor.
“100 Baht!”
“150 Baht, and you blablablabla” Ik versta er geen bal van maar ik stap in.
Zittend in de taxi pakt de chauffeur een papiertje en tekent een kaartje van MBK naar Kao San met een vierkantje ertussen.
“We stop, walk by and say no buy, no buy, for 10 minutes.”
“No, I’m tired, just Kao San road.”
“10 Minutes.”
“No, sorry.”
“Not 150 Baht, 200.”
“150 Baht!” zeg ik verbaasd.
“150, you walk by and buy nothing, 10 minutes.”
“No”
“Rushour, must be 200 Baht!”
“180.”
“Please 200, please.”
“Ok, 200.”
“You walk by? 10 minutes?”
“No! No! No! Sorry!”
Na een korte stilte komt de vraag, “Where are you from?”
Na uit gerust te hebben en weer honger te hebben gekregen ga ik in het restaurantje tegenover mijn hostel zitten. Ik bestel een cola en Chicken-rice. Een van de Engelse worden die in het Thaise woorden boek geïntegreerd is. Schuin achter me zit een Nederlands gezin met twee huilende kinderen van een jaar of twee en vier. Ik kuch, doe alsof ik er niet ben en probeer me zo on-Nederlands mogelijk te gedragen.
Naaste me neemt een westerse vrouw van rond de dertig in haar eentje plaats. Ze zoekt duidelijk oogcontact. Uiteindelijk laat ik het toe en spreekt ze me aan. Of ik het erg vind om samen te eten, aangezien we allebei alleen zijn. Ik vind het prima en schuif wat op.
Ze is Brits en achtentwintig. We wisselen uit wat we hier doen, waar we heen gaan en waar we vandaan komen. Uiteindelijk val ik bijna terplekke in slaap en verontschuldig me naar mijn bed.
Voor ik vertrok uit Nederland heb ik een planning gemaakt. In mijn drie weken heb ik meer dan vijftien honderd kilometer te reizen. Oorspronkelijk had ik ook bedacht in twee dagen Bangkok te bezichtigen en daarna een dagje naar de tempel stad Ayutthaya en dan door naar droom eiland Koh Tao. Een maal in Bangkok werd dit één dag Bangkok, Ayutthaya en nog een dag Bangkok. Zo wilde ik even een pauze in de stadse drukte. Na mijn dagje Ayutthaya en mijn terug komst in Bangkok heb ik maar besloten dat laatste dagje maar over te slaan. Jammer misschien, maar de toeristische tempel stad deed me zo goed dat ik even genoeg heb van de stad.
Niet dat Ayutthaya zo rustig is hoor. Het ook eigenlijk geen stad te noemen. Meer een soort museum met slotgracht, of een pretpark. Ten oosten van de “stad” ligt het station. De volgende stap is dan op het eiland terecht te komen. Dit eiland, wat eigenlijk geen eiland is maar een stuk land omringd door rivieren, is zo’n vijftien vierkante kilometer en bereikbaar met vier bruggen.
In de trein vindt ik een mooi plekje met veel been ruimte. Boven me hangt een bordje dat ik moet opstaan voor Boeddhisten en ik hoop dan ook dat die niet komen. Misschien heb ik te weinig gehoopt, maar uiteindelijk moet ik toch op staan en beleefd maak ik ruimte voor een Boeddhist van een jaar of zestien met een ipod in zijn oren. Een ander plekje vindt ik snel en even later wordt ik in de hoek geduwd door een zwerfster die hoor en dool in het Thai brabbelt van de conducteur gratis een stationnetje mee mag rijden.
Mijn lonely planet huiswerk had ik nog niet gedaan dus weet ik niet waar ik heen moet. Op het station zie ik een westerse man van vijfendertig. Hij ziet er duidelijk uit alsof hij weet waar hij heen moet dus besluit ik hem zo onopvallend mogelijk te volgen. Ik faal hier verschrikkelijk in dus stelt hij zich voor. Met een raar Amerikaansachtig accent verteld hij dat hij Benoît Rapp heet en uit Frankrijk komt. Uiteraard stel ik mijzelf ook voor en samen onderhandelen we even later over een tuk tuk, die hier ook overal te vinden zijn.
Benoît is een echte toerist en dus gaan we naar de VVV van Ayutthaya. Ik vind het helemaal niet erg aangezien ik toch nog niet weet waar ik heen wil. In de VVV worden we niets wijzer behalve een plek waar we fietsen kunnen huren. En wat voor fietsen. Het lijken wel de witte kapotte afgedankte fietsen van de Veluwe. Piepen, kraken, scheve wielen, lekke banden, scheve stuurtjes. Maar het heeft wel wat en het kost ook nog eens niks.
De eerste tempel die we bezoeken staat net ten noorden van de VVV. Van Benoît hoor ik waarom alles een ruïne is en alle Boeddha beelden onthoofd zijn. Het Ayutthaya tijdperk was van dertienhonderd tot zeventienhonderd een van de machtigste rijken ter wereld. De hoofdstad, waar ik nu in sta was toen ook een van de grootste steden ter wereld, met meer dan één miljoen inwoners. Maar aan alles komt een einde, en in 1767 viel Ayutthaya door de Birmezen. Het grootste deel van de stad werd vernietigd, met name de tempels. Ook werd bijna elk Boeddha beeld onthoofd. Drie jaar later werd een nieuw land gesticht, met de hoofdstad op de plek waar Bangkok tegenwoordig staat. De ruines werden op sommige plekken hersteld, hier en daar staat een Boeddha beeld met een hoofd dat er met cement is opgezet.
Na een stuk of drie van de tempels gezien te hebben en even verdwaald te zijn besluiten we wat te gaan eten. In een mini Hawker Centre (een vaak enorme eet gelegenheid met meerdere kraampjes van verschillende ondernemers) waar niemand zit nemen we allebei een bordje Chicken-rice en een cola.
We fietsen door naar een gigantische Laying Buddha, gekleed in een gouden zijden gewaad. Na bestormd te zijn door meisjes van acht die ons bloemen willen verkopen nemen we een paar foto’s en gaan we door naar de enige tempel die buiten het eiland ligt.
Wat Chai Wattanaram is ook de mooiste. De bruinige stenen van de tempel en het fel groene gras er om heen geven een prachtig beeld. We strijken even neer in het gras(wel in de schaduw), nemen een foto van een Japanner, worden gefotografeerd door een Japanner en komen een man tegen die Ayutthaya met een tuk tuk bezoekt. Honderd euro voor de hele dag. We drinken nog een cola en nemen dan afscheid. Ik moet mijn trein halen en Benoît wil nog een tempel bezoeken voor hij in Ayutthaya overnacht.
Na de fiets te hebben terug gebracht en met de tuk tuk naar het station te zijn gereden duurt het erg lang voor mijn trein komt. Als er eindelijk een trein komt is het helaas niet de mijne maar de trein naar het noorden. Ik sta raar te kijken als een van de wagons begint te roken. Alle conducteurs die er te vinden zijn rennen er heen en beginnen met bakjes water tegen de rokende wagon aan te gooien. Het wil niet echt helpen. Vanbinnen uit de wagon gaat ook iedereen ook water verspillen. Een vrouw draagt een schort waar ik uit op maak dat de wagon een keuken is. Als de trein na een paar minuten wegrijdt naar het noorden rookt hij nog steeds. Ik steek het spoor over een loop naar het primitieve van houtenbalken gemaakte platform drie waar mijn trein stopt.
3
Mijn derde dag alweer in Thailand. Ik mag weer vroeg op en dit keer met tas bepakt en bezakt met de tuk tuk naar het station en dan naar Chumpon. Het kaartje heeft geen spoor nummer, aangezien elke plaats van bestemming zijn eigen spoor heeft. Met zeven plaatsen van bestemming vanuit Bangkok is dit dan ook het grootste station van Thailand.
Met een hoop westerlingen(waaronder Nederlanders) wachten we op de trein die precies op tijd binnen komt rollen. De trein heeft drie passagiers wagons, een keuken en een locomotief.
Het duurt lang voor we weg kunnen, maar als we uiteindelijk gaan staan we na twee honderd meter stil. Voor drie kwartier wel te verstaan. De treinreis van zes uur duurt een uur langer door de vertragingen en tijdens de rit zit ik onzeker naar mijn eten te staren of ik het wel vertrouwen kan. Uiteindelijk neem ik het onzekere voor het zekere en eet alles op.
Als we bij station Hua Hin stoppen stapt er een jongeman van mijn leeftijd in. Hij moet naast mij zitten dus laat ik hem langs. De jongen is netjes gekleed in een wit overhemd, zwarte broek en schoon gepoetste schoenen. Hij heeft zelfs een hoedje. Ik vraag me af of hij naar een bruiloft of een begrafenis gaat. Of misschien loopt hij er zo altijd wel bij. Hij krijgt alsnog zijn eten geserveerd met een cola. Als het geserveerd wordt zit hij met zijn handen zo vol dat hij zijn tafeltje niet meer uit kan klappen. Zo slijmerig beleefd als ik maar kan zijn open ik het voor hem waardoor het tafeltje op het dienblad klapt en de cola over zijn helder witte overhemd wordt verspild. Met een knal rood hoofd maak ik duizenden excuses maar boos wordt de jongen niet. Hij kijkt me niet eens aan en zegt alleen “It’s okay”. Met een doekje veegt hij de cola van het overhemd en wonder boven wonder is er geen vlekje te zien.
Vol schaamte zeg ik de rest van de reis niets meer. De jongen let totaal niet meer op me en is constant met zijn twee telefoons in de weer. Wat hij precies aan het doen is vraag ik me de hele reis af.
Chumpon is niet bepaald wat ik ervan had verwacht, een rustig oord met hier en daar een winkeltje en huisje. Het blijkt een mini Bangkok te zijn. Nog steeds de drukte van het verkeer en mensen die van alles van je willen. Ik had al een hostel in gedachte(Suda Guest House) maar wil toch eerst de boot reis van morgen regelen.
Ik heb geen idee waar ik heen moet om zoiets te regelen dus kijk ik een beetje verdwaald om me heen. Meteen word ik aan gevlogen door een vrouw van middelbare leeftijd die me vriendelijk vraagt wat ik zoek.
“Nothing.”zeg ik haar blik ontwijkend.
“Do you need a hostel?”
“No, thank you.” probeer ik weer ontwijkend.
“A boat ticket maybe?” vraagt ze liefelijk
Twijfelend door haar vriendelijkheid en mijn gewoonlijke irritatie naar dit soort aanbiedingen denk ik even na. En besluit dan toch op haar aanbod in te gaan. Door het eten al gegeten te hebben ben ik in een wilde bui!
De mevrouw belooft me naar mijn hostel te brengen als ik mijn ticket heb gekocht en plotseling staat er een pick-up voor ons neus.
Achterin een pick-uptruck rijden we naar een reisbureautje. Mijn slippers moeten uit en na mijn bestemming bekend gemaakt te hebben(Koh Tao), een kaartje gekocht te hebben en mijn slippers weer aan gedaan te hebben mag ik de pick-up truck weer instappen.
Het hostel waar ik netjes wordt afgezet, wat volgens mijn lonely planet altijd volgeboekt, is uitgestorven. Nul van de vier kamers zijn verhuurd en suda(de vriendelijke verhuurster) is dan ook heel erg blij met me. Na even ingewreven te hebben dat het boot ticket bij haar veel goedkoper was geweest en andere aanbiedingen onder mijn neus te hebben geschoven brengt ze me naar mijn kamer.
Een enorm twee persoonsbed met een knoerthard matras, een kastje, een stoel en een was rek is het enige wat in het brandschone kamertje staat. Op de gang van krakend gelakt hout is de wc en douche, met warm water.
Inmiddels is dit al mijn vierde dag in Thailand. Eindelijk kan ik wat aan mijn ritme veranderen en om half zeven ga ik pas eten. Na een uurtje internet voor mijn weblog ga ik opzoek naar een eet tentje. In een redelijk groot restaurantje dat er erg westers uit ziet bestel ik een portie Pad Thai. Terug in op mijn kamertje bedenk ik me pas dat ik nog een boek nodig heb. Het blijft vakantie, dus lezen doe ik ook. Ik ben van mening dat boeken gelezen moeten worden in de taal waarin ze geschreven zijn, zover dat lukt natuurlijk. Op dit moment lees ik “choke” van Chuck Palahniuk in de geschreven taal Engels. In het donker ik ga opzoek naar een nieuw boek, wie weet is er op het kleine eilandje geen te bekennen.
Mijn reisleider, Lonely Planet adviseert mij naar DC Book Store te gaan. Na twee keer verkeerd te zijn gelopen zie ik het winkeltje in het midden van een donker achterstraatje. Binnen zie ik honderden boeken in het Thai, niets in het Engels en al helemaal geen Nederlands. Donald Duck is leuk, maar plaatjes met tekst in het Thai is ook niet alles. Ik ga naar de kassa en vraag of er ook Engelse boeken te koop zijn. De mevrouw wijst naar een rekje achterin het winkeltje. Zo zeg, dat zijn best weinig boeken. En veel de zelfde ook. No country for old men(ja, de film is gebaseerd op een boek) is een van de keuzes. Terwijl ik mijn beslissing overpeins komt er een Thaise man bij mij staan.
“Where are you from?” vraagt hij.
“The Netherlands” geef ik hem zijn antwoord.
“Holland?”
“Holland!” jazeker wel.
“You read and write English?”vraagt hij met een smekend toontje.
“Yes.”
“Can you translate, please?” vraagt hij terwijl hij een uitgeprint mailtje in mijn handen duwt. Ik versta hem niet al te goed als hij verteld van wie het mailtje is. Zijn Oma of kleinkind uit Zweden. Ik begin de brief van Veronica uit Zweden te lezen.
Als ik klaar ben zegt de man “Can you write back?”
“Yes sure, do you have a pen for me?”
“Can you come to my place, to computer and type? Vraagt hij weer met zijn smekend toontje.
Ik besluit dat het toch maar niet zo een goed idee is om met hem mee te gaan en stel voor het hier te schrijven zodat hij het later zelf over kan typen. Hij gaat akkoord en we gaan samen een pen lenen bij de kassa.
“What shall I write?” vraag ik hem met mijn pen in de aanslag.
“Is up to you!” Als er zwevende vraagtekens bestonden, dan stond er nu een boven mijn hoofd.
Ik denk eventjes na en stel dan twijfelend voor of ik I’m fine?” zal schrijven.
“Yes please!” zegt hij blij.
De brief bestaat uit simpele vragen, zoals; How is the family?, How is Viktor doing? Will you come again when the weather is better? En tot slot. Good bye.
Ik overhandig de man zijn brief.
“Thank you very much!” zegt hij oprecht terwijl hij mij de hand schudt.
Even snel als hij voor me stond is hij ook weer verdwenen.
Na nog eventjes na gedacht te hebben kies ik No country for old men uit het rek. Ik geef de pen terug bij de kassa en betaal het boek.
Mijn tas is gepakt, ik heb net mijn diploma uitreiking gehad. Nu is het 26 juni, een uurtje of 5. Ik sta in de rij bij de incheckbalie van British Airways. Mijn ouders en zus staan een paar meter verder op net buiten de rij. Met tierepjes maak ik de ritsen van mijn rugzak aan elkaar vast zodat ze tijdens de reis in het vliegtuig niet los gaan. Ik blijk maar drie ritsen te hebben dus het valt mee.
Als ik aan de beurt ben geef ik mijn paspoort aan de mevrouw achter de balie. Ze print mijn ticket uit en ik leg mijn tas op de band. Ik moet mijn tas naar de speciale “backpack band” brengen. Ik pak mijn tas weer en loop er heen. De tas gaat in een bak en wordt gewogen. Net geen vijftien kilo.
Na nog wat gedronken te hebben met mijn ouders en zus moet ik afscheid nemen. Toch moeilijker dan ik had gedacht. Ik moet wel een paar keer slikken en ga dan vol met zenuwen door de douane.
“Waar ga je heen?”
“Londen” zeg ik zo opgewekt mogelijk.
“Hier staat Thailand” zegt de douanier geforceerd boos.
“Ja, daarna ga ik naar Thailand. In Londen stap ik alleen maar over.”
“En wat ga je in Thailand doen?” vraagt hij ongeïnteresseerd.
“Vakantie houden en dan door reizen naar Maleisië, Singapore en Australië.”
“Dus je gaat niet alleen naar Thailand?” Zegt hij nors.
“Nee, naar nog veel meer.”
Ik wil bijna toevoegen dat hij dat niet vroeg maar bedenk me en ik mag doorlopen.
Meteen al heb ik vertraging. Één uurtje, maar dankzij de onbetaalbare sierraden, tv’s en camera’s vermaak ik me prima.
Dan kan ik instappen en eindelijk aan mijn reis beginnen richting Bangkok, de buitenlandse naam voor Krung-Thep of de officiële naam Krung Thep Maha Nakhon.
In het vliegtuig kijk ik op het kaartje waar we zitten. Vlak boven Birma of Myanmar, hoe je het ook noemt. Jawel, er boven. Er op zou veel logischer zijn. Dan vliegen we namelijk niet om. Ik kijk goed hoe het vliegtuig de grens volgt en bedenk me dat Birma, die geen hulp toe laat voor de slachtoffers van de Cycloon Nargis ook geen vliegtuigen boven zijn grondgebied wil hebben. Als of het nut zou hebben als ik mijn kleffe boterhammetje uit het raam zou gooien.
Een paar uur later, als we al voorbij Chang Mai zijn beginnen we te dalen. Eindelijk denk ik. Gelukkig heb ik zat beenruimte. Ik zit aan de voorkant van een rij stoelen. Lekker ruim dus. Dan begin ik gebouwen te zien, omgeven door bruin beigeachtige smog. Nog geen kwartiertje later rijden we de gate in op Suvarnabhumi Airport in Bangkok.
Het eerste wat me opvalt aan het vliegveld zijn de gigantische portretten van de Koning die bij elke gate hangen. De koning is alles in Thailand, ik citeer uit de lonely planet: “De koning wordt beschouwd als een heilige. Lik nooit aan een postzegel waar de koning op staat. Als je geld valt, ga er niet op staan en bewaar het niet in je schoen of sok.”
Alle gates waar ik langs loop zijn verlaten, op de onze na. Ik loop richting de douane over de spiegelgladde vloer waar ik mezelf in kan zien. Alles is gloed nieuw en amper gebruikt. Totaal niet wat ik had verwacht van Thailand.
Aan het einde van de terminal geef ik mijn passpoort aan de douanier. De mevrouw vraagt iets in het Thai aan me. Ik weet niet wat ze bedoelt en gok erop dat ze wil weten wanneer ik het land weer verlaat, aangezien ik maar dertig dagen mag blijven. Ik laat haar mijn ticket schema zien en wijs aan wanneer ik weg ga. Blijkbaar wil ze iets anders weten want ze duwt de papiertjes terug in mijn handen.
Omdat ik niet kan bedenken wat geef ik haar maar alle relevante dingen. Ze pakt mijn ticket en tikt dingen in de computer.
Oh, zeg dat dan, denk ik bij mezelf.
Als ik mijn bagage heb opgehaald kan ik zo doorlopen. Geen controle van mijn tassen, geen honden en ook geen beveiliging. Iets wat ik toch wel had verwacht met alle drug smokkel in dit land.
In de aankomst hal krijg ik een paar aan biedingen van hotels, taxi’s, massages, restaurants, tours, vliegtickets, treintickets, bustickets en ga zo maar door.
Behalve dat ik deze mensen totaal niet vertrouw had ik al bedacht met de stadsbus naar mijn geboekte hostel te gaan, dus negeer ik alle aanbiedingen.
Bij de bus aangekomen ben ik de enge westerling. Een aardige man in uniform helpt me mijn bus te zoeken. In de overweldigende hitte laat ik vier bussen voorbij gaan, tot de aardige man me een seintje geeft. Eenmaal in de bus komt de conductrice naar me toe. In haar handen heeft ze een aluminium buis. Daarin zit geld en de kaartjes. Alle kaartjes zijn hetzelfde, de manier waarop ze gescheurd worden maakt hoever je mag rijden. Ik betaal met 100 Baht (2 euro) en ze vraagt, denk ik, waar ik eruit moet. Ik begin in mijn lonely planet te bladeren. Op het kaartje wijs ik aan waar en ze kijkt er lang naar. Dan geeft ze me een verscheurd kaartje en wisselgeld.
Even later rijden we op de snelweg. Elke honderd meter rijst er een gigantische wolkenkrabber uit de grond, omringd door krottenwijken en hutjes. Met tv-schotel. De conductrice komt naast me zitten en brabbelt in het Thai. Als reactie op haar gebrabbel antwoord ik “I don’t know”. Dan slaat ze een paar keer op mijn tas. Ik denk verder en haal mijn lonely planet eruit, blader naar het kaartje en wijs dezelfde plek weer aan. “Democracy monument”zeg ik en ze snapt het niet. De straatnaam begrijpt ze ook niet. Toch knikt ze uiteindelijk en “schijnt”ze het te begrijpen.
Ik kijk naar buiten naar de honderden reclame borden in het Engels en snap niet voor wie die borden zijn bedoelt als deze vrouw al geen Engels kan praten. De meeste reclames gaan over computer onderdelen, eten en hotels. Een aantal vind ik nogal bizar: “Non exploding engines.”
Democracy Monument herken ik van plaatjes en ik stap uit. Rond om het monument, dat staat voor de bevrijding van de Birmezen liggen enorme avenues. Ik volg het kaartje van mijn Lonely Planet en loop zo naar mijn Hostel dat westelijk van Kao San Road ligt, de meest toeristische straat van Thailand. Drie keer loop ik mis maar ik vind het uiteindelijk toch. Ik check in een ga naar mijn kamer op de derde verdieping. In het trappenhuis hangen blaadjes van mensen die spullen zoeken, reclames van restaurants en bars en een paar keer in koeienletters, dat het verboden is om prostituees mee te nemen.
Erg uitgebreid en mooi is mijn kamer niet: een spiegel, stoel, kapstok, tafeltje en een bed zonder laken. Er ligt een prijslijst met dingen die ik kan huren, van een laken en kleren tot een tweede bed. Ik ga weer naar beneden en vraag een laken dat ik gek genoeg gratis mee mag nemen.
Na even gerust te hebben heb ik honger en dorst. Richting Kao San Road is veel te eten en te drinken. Ik koop een fles water en haal een maaltje genaamd Pad Thai, wat ik in deze vakantie nog vaak zal eten.
Kao San Road is me wel een bizarre straat. Er wordt van alles verkocht, illegale Britney Spears Cd’s, T-shirts van Metallica, illegale Lonely Planets, echte Lonely Planets, rijbewijzen, paspoorten, eten en drinken. Ook worden er middelbare school diploma’s aangeboden. Had ik ook kunnen doen, dan had ik hier een paar jaar eerder kunnen zijn.
Het is de tropen, dus in een klap is het pik donker. Meteen voel ik hoe moe ik ben, ook al is het nog niet eens acht uur. Ik besluit maar terug te gaan naar mijn kamertje en wat te lezen. Daar reken ik ook uit hoeveel ik tot nu toe heb uitgegeven. De wisselkoers van het moment is vijftig Baht voor één euro. Kosten tot nu toe; negentig Baht. Oftewel één euro tachtig.
Om negen uur houd ik het niet meer vol en val in slaap.
2
Om zeven uur ’s ochtends loop ik in zuidelijke richting. The Emerald Buddha is het eerste toeristische object dat ik wil bezichtigen. De weg is niet lastig, een lange boulevard van een kilometer of drie en ik ben er. Onderweg kom ik een vriendelijke meneer tegen die met mij een leuk gesprekje begint. Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Wat doe ik hier? Hoe oud ben ik? Ben ik niet veel te jong? Na een tijdje verteld hij me wat ik moet zien hier in Bangkok. In mijn lonely Planet wijst hij van alles aan. Of hij er in mag schrijven? Ja, waarom niet. Ik vind het best en besluit alles later nog maar eens op te zoeken als ik ergens rustig zit.
De vriendelijke meneer vindt echter dat ik meteen alles moet zien. Met een tuktuk! Want die zijn snel en goedkoop. Ik bedank hem maar uit het niets staat er al een tuktuk naast ons. Eventjes ben ik overrompeld maar ik besluit weg te lopen in de richting van mijn Emerald Buddha.
Ik was al gewaarschuwd over de vriendelijke afzetterijen waar de Thai om bekend staan.
De Emerald Buddha, die wat ik later hoor helemaal niet van Emerald is gemaakt maar van “een” kwarts steen is met zijn totaal niet imponerende grote van negentig centimeter erg mooi. Het complex van een aantal vierkante kilometer waarin de tempels van de Boeddha liggen grenst aan het Grand Palace van de Koning. Het paleis wordt, nog meer als alle tempels zwaar bewaakt. Waarschijnlijk vanwege alle toeristen. Als ik het complex binnen kom wordt ik dan ook verzocht mijn broekspijpen naar beneden te doen.
Na een paar uur om de tempels te hebben gelopen en geprobeerd mijn rug niet naar de Boeddha toe te keren vind ik het wel welletjes. Buiten gekomen koop ik een grote fles water want ik stik van de dorst.
Dan op naar het station. Ten eerste om te zien hoe de treinen hier precies werken en vanwege China Town dat daar om de hoek zit. Na nog geen tien minuten gelopen te hebben(ik loop nog steeds langs het Complex van de Emerald Buddha) spreekt een meneer mij aan. Na weer al het gebruikelijke gevraagd te hebben gaat het weer over waar ik heen wil. Ik laat hem een mijn lonely planet zien en hij vraagt of hij op het kaartje(wel een ander kaartje) mag tekenen. Ik knik en voor dat hij over de tuk tuk begint die al naast ons staat groet ik hem vriendelijk en loop weg. Op het kaartje staat precies het zelfde als de andere vriendelijke meneer mij al had gesuggereerd. Alles staat alleen op een andere plaats…
Nog eens tien minuten later lijkt het wel alsof ik door een zonesteek geraakt ben. Ik besluit toch maar een tuk tuk te nemen naar het station, dit keer uit eigen beslissing. Wat een geweldige beslissing. Even later ben ik bij het station voor nog geen een euro vijftig. In het station is het niet al te druk. Ik koop een kaartje naar Ayutthaya, een stad ten noorden van Bangkok voor de volgende ochtend.
Chatuchak Weekend Market is één van de dingen waar je geweest moet zijn als je in Bangkok bent. Ik besluit er dus ook heen te gaan. Met de gloed nieuwe metro lijn die samen met het vliegveld een van de infrastructurele verbeteringen is van Thailand de afgelopen jaren.
Chatuchak is de grootste markt ter wereld. Het bestaat uit zevenentwintig delen waar kleren, eten, bloemen, cd’s, dvd’s, sierraden, schoenen, slippers, Chihuahua’s, handschoenen, rommel en ga zo maar door wordt verkocht. De markt heeft wel geteld vijftien duizend kramen.
Omdat de markt alleen in het weekend geopend is ben ik niet de enige. Maar tussen de overdekte kraampjes van een bij een meter met voetpaden van een halve meter is het nog altijd koeler dan buiten in de zon. Ik kijk rond, koop een shirtje voor een euro en besluit maar eens te gaan eten.
Een klein half uurtje later ben ik voldaan en door mijn plastic stoeltje heen gezakt en ga nog maar eens rond lopen.
Dan heb ik nog een wens voor Bangkok: een Skybar bezoeken.
Omdat Bangkok veel laagbouw heeft met af en toe een wolkenkrabber, is er prachtig uitzicht vanuit die wolkenkrabbers. Boven in de torens zitten barretjes waar je wat kan drinken terwijl je naar de smog kijkt. Heb ik altijd al eens willen doen. Met de Skytrain reis ik zuidwaarts naar een gebied waar een aantal grote gebouwen staan. In de trein zit ik naast een jongen van ongeveer mijn leeftijd, tegenover hem zitten zijn twee vriendinnen. De ene ziet er redelijk normaal uit, de ander is zo mager en bleek als een lijk. Het gesprek gaat na een tijdje duidelijk over mij, maar ik probeer te doen alsof ik niets merk. Na een aantal stations stapt de jongen uit. De meisjes blijven tegenover me zitten. Ik schuif door naar het raam en de dames halen de poederdoos te voorschijn. Meteen zijn ze allebei zo bleek als een spook. Ik lach in mezelf om hoe bleek de mensen hier willen zijn en hoe zon gebruind de Nederlanders willen zijn.
Langs een enorme avenue en een trottoir van een halve meter breed staan de ingangloze gebouwen. Ik kan nergens een ingang vinden, alleen maar ingangen naar parkeerplaatsen. Een opzichter vraagt of hij me kan helpen en ik vraag hem waar de Moon Bar at Vertigo is. - Deze had ik er uitgepikt vanwege het goedkope drinken. - De opzichter moet me teleurstellen, de bars zijn gesloten en gaan pas om negen uur open. Dan lig ik al in mijn bed ben ik bang, denk ik bij mezelf. Ik loop het hele eind terug en verzin iets om de komen de uren nog te doen. Mijn vertrouwde lonely planet raad me Siam Square aan. Dit plein dankt zijn naam aan de oude naam van Thailand. Het plein is omringd door gigantische winkelcentra. Daar tussen, daar door, daar over en daar om heen rijd de Skytrain. Die neem ik dan ook als vervoermiddel.
Verbaasd ben ik over de prijzen van kleren in de winkelcentra. Ze zijn even duur als in Nederland. De mensen hier zijn dus nog merk gerichter dan in de westerse wereld. Het zal schijnbaar wel verkopen ook al ligt er een markt verder op met de even goede nepper versie maar dan een tiende van de prijs. Met bruggen zijn alle winkelcentra verbonden. Op een gebouw ligt een klein parkje met een fontein waar alle tieners het hele weekend rond hangen. De rijke tieners tenminste en dat zijn er maar weinig.
Uiteindelijk vind ik het wel welletjes en loop beneden het MBK (Mahboonkrong) Shopping Centre uit als er aan me wordt gevraagd of ik een taxi wil. Ook al wil ik graag terug naar mijn hostel, ik denk de stoere toerist te zijn die nee zegt en loop door.
Oke, ik wil toch wel een taxi, maar alleen omdat er geen tuk tuk’s zijn. Achterop de motor? Nou nee bedankt.
“Taxi?” Ja, vooruit dan maar
“To Kao San road”zeg ik
“200 Baht” stelt de man voor.
“100 Baht!”
“150 Baht, and you blablablabla” Ik versta er geen bal van maar ik stap in.
Zittend in de taxi pakt de chauffeur een papiertje en tekent een kaartje van MBK naar Kao San met een vierkantje ertussen.
“We stop, walk by and say no buy, no buy, for 10 minutes.”
“No, I’m tired, just Kao San road.”
“10 Minutes.”
“No, sorry.”
“Not 150 Baht, 200.”
“150 Baht!” zeg ik verbaasd.
“150, you walk by and buy nothing, 10 minutes.”
“No”
“Rushour, must be 200 Baht!”
“180.”
“Please 200, please.”
“Ok, 200.”
“You walk by? 10 minutes?”
“No! No! No! Sorry!”
Na een korte stilte komt de vraag, “Where are you from?”
Na uit gerust te hebben en weer honger te hebben gekregen ga ik in het restaurantje tegenover mijn hostel zitten. Ik bestel een cola en Chicken-rice. Een van de Engelse worden die in het Thaise woorden boek geïntegreerd is. Schuin achter me zit een Nederlands gezin met twee huilende kinderen van een jaar of twee en vier. Ik kuch, doe alsof ik er niet ben en probeer me zo on-Nederlands mogelijk te gedragen.
Naaste me neemt een westerse vrouw van rond de dertig in haar eentje plaats. Ze zoekt duidelijk oogcontact. Uiteindelijk laat ik het toe en spreekt ze me aan. Of ik het erg vind om samen te eten, aangezien we allebei alleen zijn. Ik vind het prima en schuif wat op.
Ze is Brits en achtentwintig. We wisselen uit wat we hier doen, waar we heen gaan en waar we vandaan komen. Uiteindelijk val ik bijna terplekke in slaap en verontschuldig me naar mijn bed.
Voor ik vertrok uit Nederland heb ik een planning gemaakt. In mijn drie weken heb ik meer dan vijftien honderd kilometer te reizen. Oorspronkelijk had ik ook bedacht in twee dagen Bangkok te bezichtigen en daarna een dagje naar de tempel stad Ayutthaya en dan door naar droom eiland Koh Tao. Een maal in Bangkok werd dit één dag Bangkok, Ayutthaya en nog een dag Bangkok. Zo wilde ik even een pauze in de stadse drukte. Na mijn dagje Ayutthaya en mijn terug komst in Bangkok heb ik maar besloten dat laatste dagje maar over te slaan. Jammer misschien, maar de toeristische tempel stad deed me zo goed dat ik even genoeg heb van de stad.
Niet dat Ayutthaya zo rustig is hoor. Het ook eigenlijk geen stad te noemen. Meer een soort museum met slotgracht, of een pretpark. Ten oosten van de “stad” ligt het station. De volgende stap is dan op het eiland terecht te komen. Dit eiland, wat eigenlijk geen eiland is maar een stuk land omringd door rivieren, is zo’n vijftien vierkante kilometer en bereikbaar met vier bruggen.
In de trein vindt ik een mooi plekje met veel been ruimte. Boven me hangt een bordje dat ik moet opstaan voor Boeddhisten en ik hoop dan ook dat die niet komen. Misschien heb ik te weinig gehoopt, maar uiteindelijk moet ik toch op staan en beleefd maak ik ruimte voor een Boeddhist van een jaar of zestien met een ipod in zijn oren. Een ander plekje vindt ik snel en even later wordt ik in de hoek geduwd door een zwerfster die hoor en dool in het Thai brabbelt van de conducteur gratis een stationnetje mee mag rijden.
Mijn lonely planet huiswerk had ik nog niet gedaan dus weet ik niet waar ik heen moet. Op het station zie ik een westerse man van vijfendertig. Hij ziet er duidelijk uit alsof hij weet waar hij heen moet dus besluit ik hem zo onopvallend mogelijk te volgen. Ik faal hier verschrikkelijk in dus stelt hij zich voor. Met een raar Amerikaansachtig accent verteld hij dat hij Benoît Rapp heet en uit Frankrijk komt. Uiteraard stel ik mijzelf ook voor en samen onderhandelen we even later over een tuk tuk, die hier ook overal te vinden zijn.
Benoît is een echte toerist en dus gaan we naar de VVV van Ayutthaya. Ik vind het helemaal niet erg aangezien ik toch nog niet weet waar ik heen wil. In de VVV worden we niets wijzer behalve een plek waar we fietsen kunnen huren. En wat voor fietsen. Het lijken wel de witte kapotte afgedankte fietsen van de Veluwe. Piepen, kraken, scheve wielen, lekke banden, scheve stuurtjes. Maar het heeft wel wat en het kost ook nog eens niks.
De eerste tempel die we bezoeken staat net ten noorden van de VVV. Van Benoît hoor ik waarom alles een ruïne is en alle Boeddha beelden onthoofd zijn. Het Ayutthaya tijdperk was van dertienhonderd tot zeventienhonderd een van de machtigste rijken ter wereld. De hoofdstad, waar ik nu in sta was toen ook een van de grootste steden ter wereld, met meer dan één miljoen inwoners. Maar aan alles komt een einde, en in 1767 viel Ayutthaya door de Birmezen. Het grootste deel van de stad werd vernietigd, met name de tempels. Ook werd bijna elk Boeddha beeld onthoofd. Drie jaar later werd een nieuw land gesticht, met de hoofdstad op de plek waar Bangkok tegenwoordig staat. De ruines werden op sommige plekken hersteld, hier en daar staat een Boeddha beeld met een hoofd dat er met cement is opgezet.
Na een stuk of drie van de tempels gezien te hebben en even verdwaald te zijn besluiten we wat te gaan eten. In een mini Hawker Centre (een vaak enorme eet gelegenheid met meerdere kraampjes van verschillende ondernemers) waar niemand zit nemen we allebei een bordje Chicken-rice en een cola.
We fietsen door naar een gigantische Laying Buddha, gekleed in een gouden zijden gewaad. Na bestormd te zijn door meisjes van acht die ons bloemen willen verkopen nemen we een paar foto’s en gaan we door naar de enige tempel die buiten het eiland ligt.
Wat Chai Wattanaram is ook de mooiste. De bruinige stenen van de tempel en het fel groene gras er om heen geven een prachtig beeld. We strijken even neer in het gras(wel in de schaduw), nemen een foto van een Japanner, worden gefotografeerd door een Japanner en komen een man tegen die Ayutthaya met een tuk tuk bezoekt. Honderd euro voor de hele dag. We drinken nog een cola en nemen dan afscheid. Ik moet mijn trein halen en Benoît wil nog een tempel bezoeken voor hij in Ayutthaya overnacht.
Na de fiets te hebben terug gebracht en met de tuk tuk naar het station te zijn gereden duurt het erg lang voor mijn trein komt. Als er eindelijk een trein komt is het helaas niet de mijne maar de trein naar het noorden. Ik sta raar te kijken als een van de wagons begint te roken. Alle conducteurs die er te vinden zijn rennen er heen en beginnen met bakjes water tegen de rokende wagon aan te gooien. Het wil niet echt helpen. Vanbinnen uit de wagon gaat ook iedereen ook water verspillen. Een vrouw draagt een schort waar ik uit op maak dat de wagon een keuken is. Als de trein na een paar minuten wegrijdt naar het noorden rookt hij nog steeds. Ik steek het spoor over een loop naar het primitieve van houtenbalken gemaakte platform drie waar mijn trein stopt.
3
Mijn derde dag alweer in Thailand. Ik mag weer vroeg op en dit keer met tas bepakt en bezakt met de tuk tuk naar het station en dan naar Chumpon. Het kaartje heeft geen spoor nummer, aangezien elke plaats van bestemming zijn eigen spoor heeft. Met zeven plaatsen van bestemming vanuit Bangkok is dit dan ook het grootste station van Thailand.
Met een hoop westerlingen(waaronder Nederlanders) wachten we op de trein die precies op tijd binnen komt rollen. De trein heeft drie passagiers wagons, een keuken en een locomotief.
Het duurt lang voor we weg kunnen, maar als we uiteindelijk gaan staan we na twee honderd meter stil. Voor drie kwartier wel te verstaan. De treinreis van zes uur duurt een uur langer door de vertragingen en tijdens de rit zit ik onzeker naar mijn eten te staren of ik het wel vertrouwen kan. Uiteindelijk neem ik het onzekere voor het zekere en eet alles op.
Als we bij station Hua Hin stoppen stapt er een jongeman van mijn leeftijd in. Hij moet naast mij zitten dus laat ik hem langs. De jongen is netjes gekleed in een wit overhemd, zwarte broek en schoon gepoetste schoenen. Hij heeft zelfs een hoedje. Ik vraag me af of hij naar een bruiloft of een begrafenis gaat. Of misschien loopt hij er zo altijd wel bij. Hij krijgt alsnog zijn eten geserveerd met een cola. Als het geserveerd wordt zit hij met zijn handen zo vol dat hij zijn tafeltje niet meer uit kan klappen. Zo slijmerig beleefd als ik maar kan zijn open ik het voor hem waardoor het tafeltje op het dienblad klapt en de cola over zijn helder witte overhemd wordt verspild. Met een knal rood hoofd maak ik duizenden excuses maar boos wordt de jongen niet. Hij kijkt me niet eens aan en zegt alleen “It’s okay”. Met een doekje veegt hij de cola van het overhemd en wonder boven wonder is er geen vlekje te zien.
Vol schaamte zeg ik de rest van de reis niets meer. De jongen let totaal niet meer op me en is constant met zijn twee telefoons in de weer. Wat hij precies aan het doen is vraag ik me de hele reis af.
Chumpon is niet bepaald wat ik ervan had verwacht, een rustig oord met hier en daar een winkeltje en huisje. Het blijkt een mini Bangkok te zijn. Nog steeds de drukte van het verkeer en mensen die van alles van je willen. Ik had al een hostel in gedachte(Suda Guest House) maar wil toch eerst de boot reis van morgen regelen.
Ik heb geen idee waar ik heen moet om zoiets te regelen dus kijk ik een beetje verdwaald om me heen. Meteen word ik aan gevlogen door een vrouw van middelbare leeftijd die me vriendelijk vraagt wat ik zoek.
“Nothing.”zeg ik haar blik ontwijkend.
“Do you need a hostel?”
“No, thank you.” probeer ik weer ontwijkend.
“A boat ticket maybe?” vraagt ze liefelijk
Twijfelend door haar vriendelijkheid en mijn gewoonlijke irritatie naar dit soort aanbiedingen denk ik even na. En besluit dan toch op haar aanbod in te gaan. Door het eten al gegeten te hebben ben ik in een wilde bui!
De mevrouw belooft me naar mijn hostel te brengen als ik mijn ticket heb gekocht en plotseling staat er een pick-up voor ons neus.
Achterin een pick-uptruck rijden we naar een reisbureautje. Mijn slippers moeten uit en na mijn bestemming bekend gemaakt te hebben(Koh Tao), een kaartje gekocht te hebben en mijn slippers weer aan gedaan te hebben mag ik de pick-up truck weer instappen.
Het hostel waar ik netjes wordt afgezet, wat volgens mijn lonely planet altijd volgeboekt, is uitgestorven. Nul van de vier kamers zijn verhuurd en suda(de vriendelijke verhuurster) is dan ook heel erg blij met me. Na even ingewreven te hebben dat het boot ticket bij haar veel goedkoper was geweest en andere aanbiedingen onder mijn neus te hebben geschoven brengt ze me naar mijn kamer.
Een enorm twee persoonsbed met een knoerthard matras, een kastje, een stoel en een was rek is het enige wat in het brandschone kamertje staat. Op de gang van krakend gelakt hout is de wc en douche, met warm water.
Inmiddels is dit al mijn vierde dag in Thailand. Eindelijk kan ik wat aan mijn ritme veranderen en om half zeven ga ik pas eten. Na een uurtje internet voor mijn weblog ga ik opzoek naar een eet tentje. In een redelijk groot restaurantje dat er erg westers uit ziet bestel ik een portie Pad Thai. Terug in op mijn kamertje bedenk ik me pas dat ik nog een boek nodig heb. Het blijft vakantie, dus lezen doe ik ook. Ik ben van mening dat boeken gelezen moeten worden in de taal waarin ze geschreven zijn, zover dat lukt natuurlijk. Op dit moment lees ik “choke” van Chuck Palahniuk in de geschreven taal Engels. In het donker ik ga opzoek naar een nieuw boek, wie weet is er op het kleine eilandje geen te bekennen.
Mijn reisleider, Lonely Planet adviseert mij naar DC Book Store te gaan. Na twee keer verkeerd te zijn gelopen zie ik het winkeltje in het midden van een donker achterstraatje. Binnen zie ik honderden boeken in het Thai, niets in het Engels en al helemaal geen Nederlands. Donald Duck is leuk, maar plaatjes met tekst in het Thai is ook niet alles. Ik ga naar de kassa en vraag of er ook Engelse boeken te koop zijn. De mevrouw wijst naar een rekje achterin het winkeltje. Zo zeg, dat zijn best weinig boeken. En veel de zelfde ook. No country for old men(ja, de film is gebaseerd op een boek) is een van de keuzes. Terwijl ik mijn beslissing overpeins komt er een Thaise man bij mij staan.
“Where are you from?” vraagt hij.
“The Netherlands” geef ik hem zijn antwoord.
“Holland?”
“Holland!” jazeker wel.
“You read and write English?”vraagt hij met een smekend toontje.
“Yes.”
“Can you translate, please?” vraagt hij terwijl hij een uitgeprint mailtje in mijn handen duwt. Ik versta hem niet al te goed als hij verteld van wie het mailtje is. Zijn Oma of kleinkind uit Zweden. Ik begin de brief van Veronica uit Zweden te lezen.
Als ik klaar ben zegt de man “Can you write back?”
“Yes sure, do you have a pen for me?”
“Can you come to my place, to computer and type? Vraagt hij weer met zijn smekend toontje.
Ik besluit dat het toch maar niet zo een goed idee is om met hem mee te gaan en stel voor het hier te schrijven zodat hij het later zelf over kan typen. Hij gaat akkoord en we gaan samen een pen lenen bij de kassa.
“What shall I write?” vraag ik hem met mijn pen in de aanslag.
“Is up to you!” Als er zwevende vraagtekens bestonden, dan stond er nu een boven mijn hoofd.
Ik denk eventjes na en stel dan twijfelend voor of ik I’m fine?” zal schrijven.
“Yes please!” zegt hij blij.
De brief bestaat uit simpele vragen, zoals; How is the family?, How is Viktor doing? Will you come again when the weather is better? En tot slot. Good bye.
Ik overhandig de man zijn brief.
“Thank you very much!” zegt hij oprecht terwijl hij mij de hand schudt.
Even snel als hij voor me stond is hij ook weer verdwenen.
Na nog eventjes na gedacht te hebben kies ik No country for old men uit het rek. Ik geef de pen terug bij de kassa en betaal het boek.
Thursday, June 12, 2008
Mijn eerste post!
Ik heb een kaartje gemaakt waarop staat hoe mijn reis er ongeveer uit gaat zien. Voor mezelf heb ik mijn vluchten, trein reizen en hostels er ook opgezet maar dat is voor jou niet zo boeiend waarschijnlijk. Er staat wel op waar ik heen ga en wat er te doen is. Als je bijvoorbeeld in naar Bangkok inzoomt zie je een Markt een paar kilometer ten noorden van de stad en ook een paar tempels die ik wil bezoeken.
View Larger Map
Ik heb een kaartje gemaakt waarop staat hoe mijn reis er ongeveer uit gaat zien. Voor mezelf heb ik mijn vluchten, trein reizen en hostels er ook opgezet maar dat is voor jou niet zo boeiend waarschijnlijk. Er staat wel op waar ik heen ga en wat er te doen is. Als je bijvoorbeeld in naar Bangkok inzoomt zie je een Markt een paar kilometer ten noorden van de stad en ook een paar tempels die ik wil bezoeken.
View Larger Map
Subscribe to:
Posts (Atom)